Indianen dronken in elfde eeuw 'hulstkoffie'

Noord-Amerikaanse indianen dronken in de elfde eeuw al een cafeïnehoudende drank. Ze trokken deze ‘zwarte drank’ van gedroogde en geroosterde hulstbladeren en -twijgen.

Dat blijkt uit de aanslag die achterbleef op de bodem van de poreuze, aardewerken mokken waar de drank duizend jaar geleden uit gedronken werd. Naast cafeïne vonden Amerikaanse archeologen en chemici ook theobromine, een bitterstof die ook in cacao- en theebladeren voorkomt. Ze beschrijven hun resultaten vandaag in het tijdschrift PNAS.

De aardewerken mokken zijn gevonden in Cahokia in Illionois. Cahokia was de grootste indiaanse nederzetting ten noorden van Mexico. Archeologen hebben er resten van palissades, werkplaatsen, pleinen en tempels gevonden. Rond 1050 woonden er 15.000 mensen in en rond Cahokia – ongeveer evenveel inwoners als Londen destijds had.

Het drinken van ‘zwarte drank’ was onderdeel van een reinigingsritueel, en ging gepaard met vasten en braken, schrijft Patricia Crown, hoogleraar archeologie en eerste auteur van het artikel, in een e-mail.

Europeanen dachten in de 17e eeuw dat de drank zelf het braken veroorzaakte. Volgens Crown is dat niet zo. „Waarschijnlijk voegden ze iets aan de drankjes toe waardoor ze moesten overgeven, of wekten ze het braken bij zichzelf op.”

De hulstplanten waar de inwoners van Cahokia de ‘zwarte drank’ van trokken groeien ongeveer 500 kilometer van de stad vandaan. Alleen door handel konden de Cahokia-indianen aan de hulstblaadjes komen.