Een architect gaat op bezoek bij haar ideeën van toen

Architecten bekommeren zich nauwelijks om de gebouwen die ze ontwierpen. Marlies Rohmer doet dat wel. En ontdekt wat ze heeft aangericht.

Van architect Marlies Rohmer zijn de afgelopen 25 jaar in Nederland 50 projecten gerealiseerd: woningen, appartementencomplexen, scholen, culturele centra en andere gebouwen. Nu wil ze wel eens weten hoe die er bij staan. Dat is ongebruikelijk, architecten kijken zelden om naar hun gebouwen. Direct na oplevering laten ze ze vol glamour fotograferen, en zo leven ze eeuwig glanzend voort, in gespecialiseerde tijdschriften en jaarboeken.

„Het vak van architect is hectisch”, zegt Rohmer. De dagelijkse praktijk is wel eens ‘hit-and-run-architectuur’ genoemd. „Je hebt geen tijd om later nog eens na te gaan of een ontwerp in de praktijk wel functioneert en hoe het bevalt.” Rohmer nam zich dit jaar voor toch eens uit te zoeken of haar gebouwen ‘werken’. Ze is vooral nieuwsgierig naar wat er fout is gegaan. Ze heeft zich voorgenomen om gesprekken te voeren met bewoners, als vast onderdeel van haar bezoek. „Is het gebouw prettig om in te verblijven, wil ik weten. Is het mooi oud geworden? Was het te modieus en is het nu ouderwets geworden? Ik ben ook benieuwd of ze zijn veranderd, en zo ja, of de veranderingen het concept hebben aangetast. Al met al hoop ik erachter te komen waar ik me de komende 25 jaar op moet richten.”

Deze dag ‘doet’ Rohmer drie van ‘haar’ plekken. In een camper met het opschrift ‘What happened to’ rijdt ze om te beginnen naar het eerste gebouw van enige omvang dat ze bijna twintig jaar geleden ontwierp: de Haagse studentenflat Bleijenburg.

1 Studentenflat Bleijenburg, Den Haag, 1993

Onderweg legt Rohmer uit hoe ze Bleijenburg in elkaar stak. „Elke bouwlaag kreeg een dakterras. Die terrassen liggen als een soort trap van ontmoetingsplekken allemaal aan dezelfde kant. Ze zijn ook onderling verbonden met trappen. Zulke collectieve plekken vind ik belangrijk in een gebouw.”

Als we bij Bleijenburg zijn uitgestapt, vlakbij de schouwburg in Den Haag, zegt Rohmer dat ze „geschokt” is. „Het is wel een gedateerd gebouw, zeg. Ik wilde er een sculptuur van maken, die paste in de stad. Het metselwerk is redelijk verouderd. Maar de begane grond maakt een armzalige indruk, met die houten kozijnen en lege bedrijfsruimtes.”

Nadat Rohmer lukraak op een bel heeft gedrukt en we via een gang bij de galerijen aan de achterzijde zijn aangekomen, zegt ze: „O, hier schaam ik me voor. Die grove consoles, die afvoer van het hemelwater en die goedkope baksteentjes – met zulke suffe detaillering zou ik nu niet meer aankomen. Ik herinner me dat de opdrachtgever, een woningbouwvereniging, zei dat ze het altijd zo deden. Ik heb vooral mijn best gedaan om de voorzijde te krijgen zoals ik hem had ontworpen.”

De twee studenten die opendoen, Tim Beukering en Mariël Remeijer, blijken toevallig bouwkunde te studeren, aan de TU in Delft. Remeijer woont sinds december 2011 in Bleijenburg, Beukering is op bezoek. Als we aan tafel zitten, brandt Remeijer los. Haar kamer is erg gehorig, vertelt ze, ze hoort zelfs het geritsel van andermans wc-papier. Ook wordt het vaak erg warm. Ze vindt het onhandig dat haar kamer aan de galerij ligt. Nooit kan ze het raam laten openstaan als ze niet thuis is, dat is onveilig. Altijd moeten de gordijnen dicht als ze zich aan- en uitkleedt. De galerij is trouwens te smal: is er ’s middags zon dan kan ze er niet zitten, want er is geen ruimte.

„Maar je kunt toch op het gemeenschappelijke terras zitten?” vraagt Rohmer.

„Welk terras? Ik wist niet dat we een terras hebben”, antwoordt Remeijer verbaasd.

Als Rohmer met de twee studenten gaat kijken bij een van de terrassen, blijkt dat niet toegankelijk voor algemeen gebruik. Het is alleen te bereiken via een andere wooneenheid. „En daar zijn we heel blij om”, zegt Joeri Vrijaldenhoven die sinds 2008 aan het terras een kamer heeft. „Nee, ook aan leuke meisjes voor mijn raam heb ik geen behoefte.”

„Ontluisterend”, vat Rohmer haar bezoek aan Bleijenburg samen. Later herinnert ze zich dat de trappen die de terrassen met elkaar moesten verbinden niet zijn gebouwd, omdat er problemen werden verwacht bij het beheer ervan. „Het stemt me melancholiek. Misschien ben ik nog een beetje een kind van de sixties, met mijn idealen over ontmoetingsplekken. Jongeren van nu willen dat helemaal niet, die zijn gesteld op privacy.”

2 Stadsvernieuwing Transvaalbuurt, Den Haag, 2005

Drie blokken met in totaal 200 woningen en een gezondheidscentrum rondom een plein in de Transvaalbuurt in Den Haag, bouwde ze. Rohmer: „Dit is niet bepaald een project waar ik heel trots op ben geweest”. Het moesten „robuuste blokken” worden, passend bij de oudere baksteenarchitectuur in de omgeving. „En dat zijn ze nu inderdaad. Mijn bakstenen gevels zijn mooi oud geworden. Bescheiden, tijdloos en gewoon goed, dat blijken grote kwaliteiten.”

Bijzondere aandacht besteedde ze aan de stoepen: „Dat moesten plekken worden waar de bewoners en hun kinderen kunnen zitten. Daarom heb ik de ingangen nissen gegeven.”

Mevrouw M. Pandé en meneer S. Singh, die met hun twee dochtertjes een benedenwoning met achtertuin bewonen, hebben dan ook een houten bank op de verhoogde stoep bij hun huisdeur gezet. „Ja, daar zitten we wel eens”, zegt mevrouw Pandé. „Maar ’s nachts moeten we hem binnenhalen, anders wordt hij gegarandeerd gestolen.” Gevraagd naar het woongenot barst ze los in een litanie van klachten. Het huis is heel gehorig, ze is op de hoogte van alle problemen van de buren want die hoort ze. „De woningen zijn slecht gebouwd. Dat verwacht je toch niet van nieuwbouw. Ik heb er reuze spijt van dat we dit huis hebben gekocht.”

Rohmer vertelt dat ze smalle woningen van vier etages had willen bouwen, in plaats van de brede beneden-bovenwoningen boven elkaar. „Maar de opdrachtgever en de makelaar geloofden dat zulke woningen niet goed zouden verkopen. De afwerking in Nederlandse woningbouw stemt treurig, ja. Daar heb je als architect weinig over te zeggen. Eigenlijk zou het beter zijn om woningen casco op te leveren en de bewoners ze zelf af te laten maken.”

Over de buitenruimtes heeft Pandé gemengde gevoelens. De eigen achtertuin vindt ze „fijn groot”. Maar over het plein en de stoep is ze niet te spreken. Haar kinderen spelen er niet vaak, aangezien de betonnen stoep wordt gebruikt door skaters uit de hele buurt.

Vervelend vindt ze ook het zwerfvuil dat bij harde wind van de naburige markt komt aanwaaien. En recht tegenover haar huis staan banken waar vaak mensen op zitten die haar aanstaren. „’s Avonds zijn dat vaak junkies. Heel onprettig.”

Toch vindt Rohmer de sfeer op het plein goed. „Kijk, daar zitten een paar mannen op de rand van het woonzorgcentrum”, zegt ze. „Het is een levendig plein, precies zoals ik had bedoeld. Vrouwen, kinderen, mannen – iedereen voelt er zich zo te zien thuis. Dat er ook junks en hangjongeren komen, heeft niet zozeer met het ontwerp te maken. Of eigenlijk juist wel. Want die komen nu eenmaal ook graag naar goede plekken.”

3 Twee buurten in Stellinghof, Vijfhuizen, 2004

Op weg naar Stellinghof, de vinexwijk van Vijfhuizen bij Haarlem, vertelt Rohmer hoe deze door haar ontworpen buurten in elkaar zitten. De stedebouwkundige van de wijk, Liesbeth van der Pol, had bepaald dat Stellinghof dorps moest worden. Volgens Rohmer betekent ‘dorps’ dat grote en kleine gebouwen kriskras door elkaar staan. Daarom bestaat de bebouwing van haar deel van Stellinghof uit vrijstaande huizen, twee-onder-één-kappers, vier aaneengeschakelde woningen en kloeke gebouwen met zestien huurappartementen. Alle gebouwen zijn van onder tot boven bekleed met leisteen. Ze doen met hun scheve vormen en grote daken denken aan boerenschuren.

„Het lijkt hier niet op de gebruikelijke Vinex-wijk met rijtjeshuizen”, stelt Rohmer tevreden vast, als we door het nu groene Stellinghof rondlopen. „En de leistenen bekleding heeft zich goed gehouden. Je ziet hier dat ik veel meer ervaring had dan toen ik Bleijenburg ontwierp.”

Ook de bewoners van de koopwoningen zijn tevreden. „We hebben een geweldig huis”, zegt Olga Priem. Samen met haar man bewoont ze een vier-onder-een-kap-huis. „Ik kan geen klachten verzinnen. Of wacht, een nadeel is dat we door de scheve vormen niet zelf de ramen kunnen lappen. Maar goed, die worden eens in de twee maanden gedaan door een glazenwassersbedrijfje.”

Rohmer merkt zelf op dat de bruine kunststof kozijnen meer zijn verbleekt dan die van aluminium. „De aannemer bezwoer me dat de kunststof net zo zou verouderen als het aluminium. Niet dus.”

Ze concludeert dat „sterke, noeste concepten veel kunnen hebben, maar dat voor de meeste gebruikers het woongeluk afhangt van details: geluiddichtheid, mooie kozijnen, degelijke materialen. „Daar zit het ’m in. Daar kun je als architect dus niet genoeg aandacht aan besteden.”