De Bovenbazen (68)

Kwetal begreep niet wat er aan de hand was. Maar hij is nu eenmaal schuw voor vreemden en maakte zich ijlings uit de voeten.

‘Stalen denkramen,’ prevelde hij, ‘daar houd ik niet van, ze sluiten nooit!’

‘Houd hem!’ riep de heer Steenbreek opgewonden. ‘Dat mannetje brengt de arbeidsvrede en de loonschaal in gevaar. Grijp hem, Doerk!’

‘Dat fiks ik wel,’ gromde zijn metgezel. ‘Wat doe ik met hem, meneer?’

‘Vernietigen!’ schreeuwde de secretaris. ‘Maar volgens de wet, Doerk! Schiet op, pak hem!’

Nu gebeurde er iets onverwachts. Op het moment dat de knecht de jacht wilde beginnen, stapte heer Ollie voorwaarts en hief gebiedend een hand op.

‘Halt!’ sprak hij. ‘Ik kan dit niet toestaan! Ik bedoel; dit is een vergissing. Dat kleine ventje is de uitvinder niet!’

‘Niet?’ gromde Doerk en de heer Steenbreek vulde onthutst aan: ‘Wat bedoelt u, obb? Ik geloof dat u bezig bent een onvermogende te helpen!’

‘Ben je mal?’ zei heer Bommel. ‘Ik wilde alleen maar mezelf helpen. Ik wilde hier onderduiken en daarom ben ik uit Bommelstein gevlucht. Want de uitvinder van de futvoeder; dat ben ik zelf!’