Column

Stockholm

Reizen is wennen, alsmaar wennen. Dat went nooit helemaal. Ben je eindelijk een beetje gewend, ga je naar huis en moet je daar weer wennen.

Ik bracht deze vakantie een poosje door in Stockholm, waar ik nooit eerder was geweest. De sfeer van zo’n stad verschilt niet veel van wat je in Nederland gewend bent, het is er hooguit nóg geordender en welvarender. Materieel hebben ze het goed voor elkaar, die Zweden, en nog wel zonder euro – laat Wilders het vooral niet horen.

Toch zat ik de eerste dagen voortdurend met mijn handen in het haar. Het begon er al mee dat de juffrouw van de informatiebalie op vliegveld Arlanda ons begroette met een verbaasd klinkend: „Heej-heej!” Alsof ze eigenlijk wilde vragen: „Jullie hier?” Dat het de nationale groet betrof (hebben zij het van ons ‘hoi’ afgekeken of is het andersom?) beseften we pas toen ook het kamermeisje in het hotel vriendelijk begon te hejen. Daarna duurt het bij mij dan toch nog een tijdje voor ik met een zo achteloos mogelijk ‘heej’ reageer zonder me een uitslover te voelen.

Wat in Scandinavië nooit went, zijn de talen die ze er spreken. Je kunt je er met Engels goed redden, maar voor een mediamens als ik is het reuze frustrerend als kranten, radio en televisie een ondoordringbaar bastion blijven.

Ook al die gesprekken om mij heen kon ik niet eens bij benadering volgen, terwijl ze voor een columnist toch een soort zuurstof zouden moeten zijn, zeker in Zweden waar ze het op luide toon steeds over hun huwelijksproblemen hebben, als ik de films van Ingmar Bergman goed heb begrepen. Fantastisch materiaal, maar het spoelde als water door mijn oren.

Dat ze de euro niet hebben willen invoeren, zal ik de Zweden eeuwig kwalijk blijven nemen. Daar sta je dan weer te goochelen met allerlei lullige muntjes die je later thuis nooit ingeruild krijgt. Had je in eigen land het omrekenen naar guldens net met grote moeite afgeleerd, begon je hier weer opnieuw, vooral als het grotere uitgaven betrof. Slechts één uitgave stond meteen in ons geheugen gebeiteld: een glas huiswijn kost er tegen de 10 euro. Beter kan de drankzucht niet gebreideld worden.

Ook het openbaar vervoer heeft in elk land zijn eigen wetten. In Stockholm kun je geen kaartje kopen in de tram, dat moet je bij de zogeheten Pressbyrånkiosken of op de stations doen. We hoorden het van twee bejaarde Zweedse dames toen we op het eiland Djurgården in de stromende regen op een tram stonden te wachten. Een van de dames monsterde ons in onze staat van doorweekte ontreddering en gaf ons spontaan haar strippenkaart. We wilden er graag voor betalen, maar dat mocht niet: „It’s a gift.”

Geweldig volk.

Dat zijn de momenten waarop je leert dat het leven ook tussen verder goed vergelijkbare landen in praktische details erg kan verschillen. Ik informeerde bij een serveerster van het restaurant van ‘Dramaten’, de fameuze, koninklijke schouwburg, naar de wc. „Six one five nine”, zei ze. „Heej”, zei ik bijna. Ze legde uit dat het een code was waarmee ik de druktoetsen op de wc-deur moest bewerken. Ik heb het daarna in meer restaurants meegemaakt. Sorry, Zweden, het werkt niet. Codeloze plassers wachten tot iemand de wc uitkomt en schuiven snel naar binnen.

Is dit alles reden Stockholm te mijden? Nee! Het is een prachtstad, een schonere, groenere uitgave van Amsterdam, waar veel te zien is, zoals ik de komende dagen zal laten merken.