Sport is niets en wordt nooit wat

Marc Perelman ziet sport als een plaag die alles wegvaagt wat met spel te maken heeft. Op de Olympische Spelen komt al het kwaad samen.

Sebastiaan Kort

Boekrecensent

Regisseur Danny Boyle schonk in de openingsceremonie van de Olympische Spelen veel aandacht aan Groot-Brittannië als bakermat van de industriële revolutie. Het groene decor waarin acteur Kenneth Branagh een paar zinnen uit Shakespeares The Tempest citeerde maakte al snel plaats voor een grijze vlakte met rokende schoorstenen waartussen de acteurs steeds dezelfde handelingen pleegden.

Aan de andere kant van de Noordzee, in Frankrijk, moet een schrijver de wijze waarop de geboorte van het kapitalisme in een sportevenement werd ingebed met een mengeling van afkeer en instemming hebben bekeken. Marc Perelman, want zo heet hij, weet dat sport en kapitalisme een match made in heaven vormen. De beoefening en bewondering van (professionele) sport heeft groteske vormen aan kunnen nemen, omdat het zo fijn kon opwandelen met het kapitalisme. En van dat kapitalisme is Perelman, Frans architect en hoogleraar esthetica, geen groot liefhebber. Tijd dus om dit fenomeen eens aan een nadere analyse te onderwerpen, helemaal omdat dit tegenwoordig zo weinig gebeurt.

Perelman zet in zijn boek Barbaric Sport: A Global Plague voor een op het eerste oog nogal futiel doelwit als de sport zwaar materieel in. Zo sleept hij er al meteen in zijn motto Freud, Horkheimer, Benjamin, Adorno en Bloch bij. Maar hij jaagt niet op klein wild, meent Perelman. Hij schreef geen gelegenheidsboekje voor een ‘sportzomer’. Zijn bezwaren zijn divers, maar door de bank genomen komen ze erop neer dat sport een ‘pandemie’ is die in moderne samenlevingen ‘alles wegvaagt wat er nog over is van spel, lichaamsvrijheid, het eenvoudige vermaak van de beweging en breder: het idee van een open, levende cultuur met een bloeiend, eigen aspect’.

Het evenement waar al het nare in samenkomt, zijn de Olympische Spelen. Steden die het organiseren, grijpen het volgens Perelman bijvoorbeeld aan om er grootschalige architectonische plannen doorheen te jassen, wat weer zorgt voor eenvormigheid van het mondiale landschap. Als casestudy worden de Zomerspeling in Peking genoemd (2008). Rap werd daar een deel van de traditioneel gebouwde binnenstad vervangen door moderne hoogbouw uit de koker van grote, bekende architecten als Rem Koolhaas en Albert Speer junior.

Werkelijk historisch onderzoek is echter niet de sterkste kant van Perelman. Als denker over de vraag ‘wat sport is’, is hij interessanter en overtuigender dan wanneer hij met feitelijke bewijslast probeert te overtuigen. Zo komt hij met een soort filosofie van het stadion, die weliswaar erg leunt op denkers van de Frankfurter Schule en Elias Canetti’s Masse und Macht, maar vooral met de technologische ontwikkelingen van de laatste decennia in het achterhoofd verfrissend is.

In Perelmans beleving vindt er in de stadions een volledige gelijkschakeling van de zintuigen plaats en wordt de massa in het stadion een lichaam dat kindergeluiden uitstoot. Een lichaam dat in de stadions kreetjes slaakt als een kind dat moet worden gevoed, alsof alles draait om een tijdelijke verzadiging. Perelman verbindt deze behoefte aan de bouw van een stadion: geen horizon, maar een beperkte ruimte – alsof de wereld is omheind, misschien zelfs nog wel plat. Sterk is ook de bestudering van de beginselen van het Olympisch Handvest, een ethische richtlijn waar alle aan de Spelen participerende landen bij zweren. Of ze nu uit Noord-Korea komen of de Verenigde Staten: de sporters zweren trouw aan de regels.

Als een ding uit Barbaric Sport kan worden geconcludeerd, is het dat sport en spel niet veel met elkaar te maken hebben. Spel bevindt zich eerder in het domein van de tijdloosheid, op een heel andere plek waar de op records en meetbare prestaties gerichte sport zich ophoudt. Zonder records geen sport. Het sporterslichaam is dan ook ‘onderworpen aan productiviteit, aan prestatie, aan omvangrijke rationalisatie’. In wezen behoort het lichaam de sporter ook niet langer toe wanneer hij een prof wordt waar geld aan kan worden verdiend.

Vandaar dat Perelman ook een bloedhekel heeft aan de tendens om sport in woorden te beschrijven die eigenlijk op de kunst van toepassing zijn. Passief ‘genieten’ van sport wordt steeds meer veroorzaakt door de wijze waarop het met behulp van moderne technologie in beeld wordt gebracht. Eerst de goal, dan de herhaling, dan de slowmotion, dan de verheerlijking van een een close-up van het lichaam dat het betreffende moment tot stand bracht. Zou schaatsen nog zo opwindend zijn wanneer er langs de baan geen camera meer mee zou vliegen met de schaatsers? Perelman wijst op American Football-club Dallas Cowboys, die samen met Sony een stadion bouwde met zo veel schermen voor replays en close-ups dat je er eigenlijk naartoe gaat om tv te kijken. Alles om de toeschouwer maar geboeid in het domein van de sport te houden.

Sportbeschouwing blijft altijd binnen de grenzen van de representatie, terwijl ware kunst niet op duplicatie drijft. Die drijft op een vervorming van de werkelijkheid, stelt in zijn vorm vragen bij wat er al was. Niet meer doen dus, hoe mooi Andrea Pirlo die bal er ook in stift.

Onbedoeld komt er wat lucht in het pamflet wanneer de rol van seksualiteit in de sport ter sprake komt. De manier waarop het Franse rugbyteam zich in video’s en posters aan het publiek presenteert betitelt hij als ‘sporn’, een samentrekking van sport en porn. Gay porn overigens, want als Perelman iets in de lichaamstaal van de rugbyers ontwaart is het wel homo-erotiek. ‘De huid is glanzend, glad, geschrobd, veelal geolied en onthaard, en in veel gevallen versierd met truckertatoeages. De mannen nemen de poses van krijgers aan [...], de ogen zijn hard en gespannen, maar hun gezichten een beetje slaperig en wellustig, soms zelfs met een spoortje stiekeme verleidelijkheid erop...’

Perelman schiet op alles wat beweegt, en dat is ook meteen het grootste manco van dit boek. Zo is zijn betoog dat sport racisme aanwakkert mager in de argumentatie. Ook zijn stelling dat we eraan gewend zijn dat het lichaamsideaal door ‘de’ atleet wordt belichaamd is niet sterk, helemaal wanneer je wielrenner Robert Gesink hebt horen vaststellen dat de olympiade van Londen een freak show is: hoeveel mensen zouden eruit willen zien als een bonkige kogelstootster of een 2 meter 30 lange basketballer met schoenmaat 58?

Perelman verliest zich af en toe in z’n drift om de sport te debunken, maar na lezing van Barbaric Sport blijft in elk geval zijn idee dat sport méér is dan een achteloos tijdverdrijf overeind. Stemmen we in met Perelmans slotwoorden dat ‘there should be no sport’? De stelling is door het boek in elk geval een stuk minder absurd geworden.

Marc Perelman: Barbaric Sport: A Global Plague. Verso Books, 134 blz. € 12,- ***