Samuel Clemens’ vaste tred

Mark Twain/ Foto AP

Waarom de filmbeelden de afgelopen dagen plots weer zijn opgedoken op Amerikaanse literaire blogs is niet geheel duidelijk. Van een geboorte- of sterfdag van de Amerikaanse auteur Mark Twain (30 nov. 1845-21 april 1910) is geen sprake. Maar een actuele aanleiding is onnodig. De enige filmbeelden van Mark Twain blijven uniek.

De filmbeelden zijn gemaakt door Thomas Edison (1847-1931), de beroemde productontwikkelaar die in het laatste kwart van de 19de eeuw onder meer de gloeilamp en de fonograaf (de voorloper van de grammafoon) ontwikkelde.

Edison filmde Twain, pseudoniem van Samuel Langhorne Clemens, op zijn landgoed in Redding, Connecticut in 1909. Op de beelden is te zijn hoe Twain, in zijn karakteristieke witte pak, al rokend een ommetje maakt rond zijn huis Stormfield. Even later is te zien hoe hij met zijn dochters Clara en Jean aan tafel een kaartspel aan het spelen is. Ze drinken ondertussen thee en praten met elkaar. Waar ze het over hebben, wordt in deze ‘stomme film’ niet duidelijk.

In 2011 verschenen er hertalingen van het werk van Twain, die veel stof deden opwaaien vanwege het feit dat in de nieuwe The Adventures of Tom Sawyer en The Adventures of Huckleberry Finn negers slaven geworden waren. Twains beroemde romans waren politiek correct gemaakt.
In februari 2011 schreef Kees ’t Hart in een groot stuk over Twain, ook naar aanleiding van de verschijning van de door Harriet Elinor Smith geredigeerde autobiografie, het volgende over de laatste jaren in het leven van Twain, de jaren waarin Edison hem op filmbeeld vastlegde:
‘De laatste jaren van zijn leven was hij in New York en Boston weer een veelgevraagde en uitermate geestige gastspreker op recepties en partijen. En kon je hem in New York op zondagochtend, wanneer de kerken uitgingen, op 5th Avenue in zijn witte pak zien flaneren. Hij was en is een fenomeen, nog altijd verschijnen in Amerika herdrukken van zijn werk en de discussie over zijn leven en werk beslaat langzamerhand meer dan vijftig meter boekenplanken.’
 Over Twains autobiografie, die met 150.000 verkochte exemplaren een onverwachte bestseller werd, schreef ’t Hart toen:
‘En eerlijk is eerlijk, het valt allemaal niet mee. Je moet wel een hardcore liefhebber van Twains werk zijn, wat ik ben, om het te kunnen waarderen. Ik begrijp dat er zo’n wetenschappelijke uitgave moet zijn, maar wanneer je een beginnend Twainlezer bent, heb je er niet veel aan. Deze geschriften zijn opvallend braaf. Niets over Twains eventuele seksuele escapades, niets over schurkenstreken, geen abject geroddel over zijn vroegere vrienden, geen enkele bekentenis waar je je plaatsvervangend voor schaamt. Rousseau en Casanova, dat is inderdaad smullen, maar Twain houdt helaas al zijn kaarten tegen de borst, voor zover hij die heeft. Misschien was hij in de grond, ik ben daarvan overtuigd, een brave jongen en tamelijk lieve man met ‘normale’ schuldgevoelens en ‘normale’ seksuele hangups, die erg veel van zijn moeder en zijn vrouw hield. Maar waarom dan zijn strenge eis dat dit werk pas honderd jaar na zijn dood, in 2010 dus, gepubliceerd mocht worden? Wel oeverloze uitweidingen over Amerikaanse politieke kwesties en ellenlange beschrijvingen van zijn woningen en hotels in Florence, Berlijn en Wenen. Helaas maar af en toe die verwoestende geestigheid en scherpe blik waar je bij hem steeds op zit te hopen en waarop hij je in zijn romans en verhalen keer op keer trakteert. Bijvoorbeeld de toespraak bij zijn zeventigste verjaardag waarin hij vertelt dat hij enorm gezond geleefd heeft omdat hij zich altijd beperkte tot het roken van één sigaar tegelijk. Of de grap over de man die hem ooit bij een lezing introduceerde en zei dat hij maar twee dingen over Mark Twain wist, ten eerste dat hij niet in de gevangenis zat en ten tweede dat hij niet wist waarom.’