Knuffelmuren en eeuwig jonge molens

De molens van Kinderdijk zijn uiteindelijk gered. Was het maar eerder recessie geweest, dan waren we net zo zuinig op ons erfgoed geweest als de Italianen.

Eerst even een vergelijking. De Grote Piramide in Egypte is onderdeel van het Giza-complex dat bestaat uit twee andere piramides. De Hoge Molen is een van de negentien molens van Kinderdijk, Zuid-Holland. Beide plekken staan op de Werelderfgoedlijst van UNESCO en worden jaarlijks door duizenden toeristen bezocht. De piramide is het nationaal symbool van Egypte, de molen is dat van Nederland en de twee staan in die hoedanigheid op talloze ansichtkaarten.

Tot zover de overeenkomsten. De Grote Piramide bestaat uit 2,3 miljoen stenen met een gemiddeld gewicht van 2.500 kilo en werd 4.500 jaar geleden gebouwd als graftombe. De Hoge Molen is gemaakt van hout en riet en werd in 1740 neergezet om water uit een polder te pompen. De eerste haalt zonder menselijk ingrijpen en apocalyptische natuurrampen makkelijk de volgende duizend jaar. De tweede is zonder onderhoud over honderd jaar weggerot.

Dat ze er nog staan, mag dus al een wonder heten. Volgens Kees Tak, architect en directeur van Tak Architecten, is dat niet zo gek. Zijn bureau voert in heel het land restauratieprojecten uit van prominente gebouwen, zoals het Centraal Station van Amsterdam en Groningen. Ook zet hij zich in voor het behoud van waterbouwkundige werken. „Molens vertellen een belangrijk verhaal over de ontstaansgeschiedenis van ons land. Zonder molen geen polder.” Hun bestaansrecht is de verbinding die ze vormen met het verleden.

Erfgoed gaat ons aan hart. Zozeer zelfs dat we het eigenlijk buiten de geschiedenis willen plaatsen. Bewuste vernieling ervan, zoals nu in Timboektoe en het opblazen in 2001 van eeuwenoude Boeddhabeelden in Afghanistan, roept wereldwijde afschuw op. Maar als je het verleden bekijkt, zijn er tal van voorbeelden te vinden waarin vernielzucht het einde betekende van kerk, tempel of zelfs een hele stad. Tegenwoordig herstellen we het liefst de schade en doen of er niks is gebeurd. Japan en Zwitserland hebben beloofd te helpen bij de herbouw van twee boeddha’s en de plannen liggen klaar. Maar het gapende gat op de plek waar de grootste boeddha ooit stond, zegt natuurlijk evenveel als door de Beeldenstorm vernielde beelden die nu nog zijn te zien in de Dom van Utrecht.

Zo’n vaart zal het bij de molens van Kinderdijk niet lopen. Dat wil niet zeggen dat ze geen gevaren kennen. Want één ding mag duidelijk zijn, die rietkraag van de Hoge Molen stamt natuurlijk niet uit 1740. En ook een houten balk is niet zo duurzaam als bijvoorbeeld een blok steen van 2.500 kilo. Om de zoveel tijd zal een onderdeel vervangen moeten worden. Het begint dan wel een beetje op het spel Jenga te lijken, waar je telkens uit een toren van gestapelde blokjes voorzichtig een houten balkje haalt. Maar in plaats van een balkje bovenop te leggen, stop je een gloednieuw exemplaar terug in het gat. Langzaamaan bouw je zo een nieuwe toren.

Als ze over driehonderd jaar nog staan, wat is dan het verschil tussen Kinderdijk en het inmiddels failliete Holland Village in Japan, waar pittoreske delen van Nederland werden nagebouwd? Gaan al die restauraties niet ten koste van de authenticiteit? Architect Tak vindt van niet. Volgens hem horen, cultuurhistorisch gezien, de molens van Kinderdijk op die plek. Dat maakt het volgens hem anders dan bijvoorbeeld dat Japanse Holland Village. „Het zij zo dat het oorspronkelijke materiaal in de loop van de tijd verdwijnt. Een molen uit 1740 die bestaat uit bouwmateriaal van latere datum gaat niet ten koste van de authenticiteit.”

Ook bouwstenen ondergaan de tand des tijd en soms is vervanging nodig. Dat gebeurt vaak met een onzichtbare hand. Bij de omvangrijke restauratie van het Paleis op de Dam in Amsterdam is veel tijd en energie in de gevel gestoken. Toen eindelijk de steigers werden afgebroken, was voor de voorbijganger eigenlijk weinig van al dat werk te zien. Alleen specialisten kunnen aanwijzen welke stenen zijn vervangen. Dat de nieuwe stenen niet opvallen, komt doordat ze met donker krijt zijn ingekleurd. Eeuwen van aanslag zijn nauwkeurig nagebootst.

Verantwoordelijk voor de restauratie van het paleis is de Rijksgebouwendienst. Zou er in deze tijden van bezuinigingen nog geld zijn voor een tijdrovende klus als de kleurcorrectie van de gevel? Oscar Mendlik, directeur Monumenten , vindt dat het wel zou moeten. „Een nieuwe steen in de gevel die niet bewerkt is, wordt door het publiek als storend ervaren.”

Volgens Mendlik is het naast restauratie even belangrijk om monumenten een functie te geven. „Een molen waarvan de wieken zijn vastgezet, is geen molen meer. Zonder functie is een gebouw dood.” Dat daarbij aanpassingen worden gedaan om het gebouw geschikt te maken voor de huidige tijd is onvermijdelijk. „Er mogen hedendaagse toevoegingen plaatsvinden als dat de rest van het gebouw vitaler maakt.” Als voorbeeld noemt hij de herontwikkeling van de gevangenis van Hoorn op het Oostereiland, waar stukken nieuwbouw exploitatie mogelijk maken.

Want wat het missen van een invulling met een gebouw doet, laat de leegstand van de vele kerken in het land zien. Kerkgebouwen die jarenlang onderdeel vormden van het maatschappelijk leven, hebben deze functie verloren. Vaak zijn ze cultuurhistorisch gezien niet van groot belang, maar ze bepalen wel het gezicht van dorp of stad. Dat onderhoud noodzakelijk is, bewijst de kerk van Uithoorn. Jaren van verwaarlozing deden afgelopen mei bijna de toren van de Sint-Jan de Doperkerk instorten. Het naderend einde van torens deed de dorpsbewoners beseffen dat ze gehecht waren aan hun kerk.

Mendlik is stellig als het gaat om de houding van achteroverleunen en verwachten dat de overheid maar alles in stand houdt. „Als burgers zo’n prijs stellen op de kerk, dan moeten ze er zich ook hard voor maken. Verzin een functie voor het gebouw en zamel geld in voor onderhoud.” Architect Kees Tak ziet zelfs een andere oplossing. „Ik hoor steeds vaker om me heen de optie om deze kerken op geconditioneerde wijze te laten vervallen tot ruïnes. Zo blijven ze onderdeel van de omgeving. ”

Vindt een functie en erfgoed is dan volgens Mendlik economisch juist interessant. „Kijk met welke steden het goed gaat. Die hebben een historisch centrum.” Het zijn juist de plaatsen met veel nieuwbouw die krimp ervaren. Dat geld voor onderhoud uit steeds kleinere potjes moet komen, is volgens Mendlik niet altijd een probleem. Economische voorspoed is vaak slechter voor oude gebouwen. Vastgoedontwikkelaars willen nogal eens met de botte bijl ruimte maken voor bijvoorbeeld een kantoorkolos. In Italië staan juist zo veel historische gebouwen omdat het land lang zo arm is geweest. „De beperkte financiële middelen hebben steden als Florence behoed voor projecten zoals Hoog Catharijne’’, aldus Mendlik.

En dat al die gebouwen op de begroting drukken, snappen ze in Brussel ook wel. Onlangs kreeg Italië nog 105 miljoen euro van de EU om Pompeii op te knappen. En toen hun nationaal monument, de toren van Pisa, dreigde in te storten, kregen de Italianen hulp van menig buitenlandse expert. Zij wisten de toren wat in het lood te krijgen. Technisch gezien was er meer mogelijk, maar daar werd vanaf gezien. Want op een rechte toren van Pisa zit natuurlijk niemand te wachten.