Goud - en dan?

Na het goud op de 50 meter vrij twijfelde Ranomi Kromowidjojo of ze wel door wil met zwemmen.

Redacteur Olympische Spelen

Londen. De nacht eindigde met hamburgers. En het zou zo maar kunnen dat er nog veel nachten met hamburgers volgen. Ranomi Kromowidjojo ziet het allemaal wel. Ze hoeft niet meer op haar eten te letten, ze hoeft niet meer te trainen, ze hoeft niet meer te zwemmen.

Heel misschien wel nooit meer.

21 is ze, de zwemwereld ligt aan haar voeten en haar toekomstpad is geplaveid met gouden tegels – maar Kromowidjojo weet nog niet of ze het kan opbrengen om ooit weer voor de hoofdprijzen te zwemmen. Na haar overwinning op de 50 meter vrije slag zaterdag zei ze: „Jarenlang waren deze Spelen het hoofddoel. Ik heb alles op deze wedstrijd gezet. De druk was heel groot, vooral van mezelf. Ik heb heel veel dingen niet gedaan of afgezegd – feestjes, borreltjes, allerlei dingen die normale mensen wel doen. Altijd heb ik moeten plannen; ik wist op maandag al wat ik vrijdag zou eten. Dat is nu klaar. Ik wil nu niet te veel plannen maken. Het kan zijn dat ik stop; ik sluit niks uit. Maar ik denk dat het onwaarschijnlijk is.”

Olympische sporters leven vier jaar – of langer – naar de Spelen toe. Ze offeren hun sociale leven, trainen zich het leplazarus, moeten omgaan met twijfels, pijn en onrust. Alles staat in het teken van Die Ene Dag. Maar wat doe je als Die Ene Dag voorbij is?

Veel sporters zweven na de Spelen dagen, weken, maanden of zelfs jaren in een vacuüm. Wat doe je zonder doel? Waarom zou je opstaan? Voor wie moet je trainen? Bij de een komt het harder aan dan bij de ander. Sommigen liggen een week in bed en pakken daarna de draad op; anderen belanden in een existentiële crisis. Zo zei de Chinese basketbalvedette Yao Ming na de Spelen van Peking: „We hebben hier zo lang naartoe gewerkt. Als land, als ploeg, als individuen. Dit was de belangrijkste wedstrijd van mijn leven. Nu is het klaar en vraag ik me af: is mijn leven voorbij?”

Het is een gevoel dat veel topsporters herkennen. Er bestaat zelfs een woord voor: postolympisch stresssyndroom. En het overkomt niet alleen de sporters die zonder medaille thuis zitten maar ook de winnaars. „Je leeft naar die ene dag toe. En als het dan gebeurd is, dan denk je: o, was dit het nou?”, zei Victoria Pendleton, de Britse diva van de baansprint, na haar olympische zege in Peking. „Je bent opgelucht, en tegelijkertijd bedroefd en afgestompt. Mensen denken dat het moeilijker is als je verliest, maar als je verliest heb je nog iets te wensen. Als je wint, heb je niks meer.”

Ireen Wüst – olympisch goud in Turijn en Vancouver – kan erover meepraten. „Je bent vier jaar bezig met die cyclus. Met die ene race. Er ligt druk op je. Van de buitenwereld, van jezelf. Toen het lukte, was er in eerste instantie ongeloof en opluchting. Daarna kwam de klap. Al die druk, al die emoties, al die verplichtingen – alles kwam eruit. Ik voelde me echt beroerd, zowel mentaal als fysiek. Het is als een lichte depressie, een burn-out. Dat duurde een week of twee, drie. Ik was zó moe, ik sliep alleen maar. Ik had nergens zin in en was chagrijnig – niet normaal meer. Ik was zo moe dat ik geen zin had om nog gezellig te doen.”

Volgens de meeste psychologen kun je het postolympisch stresssyndroom eigenlijk maar op één manier bestrijden: afstand nemen van de sport. Dat is ook wat Kromowidjojo doet. Ze wil reizen, hamburgers eten wanneer zij dat wil en misschien gaat ze wel de journalistiek in („Iets met tv ofzo”). Londen is voorbij, nu is er even niets. Ze zit in een vacuüm en dat lijkt ze niet erg te vinden ook. ‘Kromo’ ziet het allemaal wel. En wat iedereen ook roept: niemand kan haar dwingen om door te gaan. Zelfs coach Jacco Verhaeren zegt geen invloed te hebben op haar beslissing. „Ik heb niks te willen. Zij moet het willen.”

Eén troost voor alle zwemliefhebbers: de meeste sporters die in een postolympisch gat duikelen, kruipen er ook weer uit en kiezen toch weer voor hun sport. Iedere dag hamburgers gaat op den duur ook vervelen.