De buurt is killer geworden, de saamhorigheid is weg

In elke buurt is wel eens iets mis. Als je dicht op elkaar woont, dan heb je sneller last van elkaar. Zeker als de samenleving verandert – het is nu vaker ikke, ikke, ikke. Als je meer ruimte om je heen hebt, heb je minder snel last van de buren. En als er iets is, wordt er bemiddeld.

Door Sheila Kamerman en Dick Wittenberg

‘Ach, verloedering, dat is zo’n beladen woord. De buurt gaat achteruit, dat is zeker. Wie schrobt er nog zijn stoepje?”

Toos Meyer, 57 jaar. Gescheiden, twee zonen. De oudste woont bij haar in. Zij werkt fulltime als bedradingsmonteuse bij een hightechbedrijf. Ze zit thuis sinds ze eind vorig jaar een polsband heeft gescheurd.

Ze woonde op een flat toen ze 32 jaar geleden via woningruil dit huis kon krijgen. Een huis met een voortuin en een achtertuin. Ze was de koningin te rijk.

Het was een hartstikke gezellig volksbuurtje. Mensen pasten op elkaars kinderen. Buren stonden altijd klaar voor elkaar.

Dat is niet meer zo. Dat is al lang niet meer zo. „Tegenwoordig is het: ikke, ikke, ikke. De buurt is killer geworden.” Zeker sinds de dreigende sloop van de buurt veel bewoners heeft verjaagd. Nieuwe bewoners kennen geen saamhorigheid. „Die hebben daar geen behoefte aan.”

Er zijn straten in de buurt waar ze niet zou willen wonen. Te veel asociaal volk. Ze doelt niet op buitenlanders. „Van de meeste buitenlanders heb je geen last.”

Laatst was er in de buurt een inbraakgolf. Familierestaurant Smakelijk Eten is overvallen. Als dat geen tekenen van achteruitgang zijn. ’s Avonds loopt ze met „bonkend hart” langs de hangjongeren op het plein. „Niet dat ze iets doen. Ze hebben het te druk met zichzelf.”

Zij heeft het geluk dat ze in een allegaartje van een straatje woont, waar nog gezelligheid bestaat. Hier kun je in de zomer nog voor je huis zitten, zonder voor asociaal te worden versleten. Haar beste vriendin woont aan de overkant.

Deze buurt is vrij homogeen, en gesteld op privacy

Zelfs in een wijk als deze heb je wel eens overlast. Een achterbuurman draaide tot ’s avonds laat harde muziek. De kinderen konden niet slapen. Een vriendelijk briefje in de bus. Hij kwam de volgende dag excuses aanbieden met een bos bloemen. Nooit meer last gehad.

Zo’n buurt.

De buren van Karin Paauwe en Peter Zoestbergen hebben vroeger ook wel eens geklaagd over hun kinderen. Dat ze te veel schreeuwden in de tuin. Het zijn uitzonderingen.

Peter Zoestbergen is zelfstandig human research manager. Karin Paauwe heeft een praktijk voor coaching en therapie. Ze hebben drie zonen.

Als vrijwilliger bemiddelt hij bij buurtruzies. Die komen in alle buurten voor. Ook in zijn eigen buurt. Al ligt er geen vuilniszak op straat, groeten de buren elkaar vriendelijk op straat en hangen de jongeren zo’n stuk verderop, dat niemand last heeft van optrekkende brommers of autoradio’s.

In zijn buurt gaat het bijvoorbeeld over een schoorsteen die de één wil vernieuwen en de ander niet. Of over geluidsoverlast van voetballende schooljeugd. De oplossing ligt in begrip en erkenning. Als iemand gehoor vindt met zijn klacht, is die al bijna opgelost.

De muren zijn dikker, de huizen groter, de tuinen dieper dan in andere wijken. En dat scheelt veel onmin. Nog belangrijker: in hun wijk wonen dezelfde soort mensen. Autochtoon, goed opgeleid, werkend. Gesteld op privacy. Maar altijd bereid de buurman te helpen. Is de één op vakantie, houdt de ander een oogje in het zeil.

Geen andere culturen. Geen onbeantwoorde vragen, zoals: mag ik als man de buurvrouw nu wel of niet een hand geven? Onbegrip ligt niet voor de hand.