De Bovenbazen (67)

‘Waarom!’ vroeg Tom Poes ontdaan. ‘Het is toch prachtig, zo’n wiel dat altijd maar draait op niets?’

‘Op niets; dat is het juist,’ prevelde heer Bommel uitgeput. ‘Wij bovenbazen hebben alles en daarom houden we niet van niets, als je begrijpt wat we bedoelen. Maar ach, misschien ben je nog te jong om het te snappen – en bovendien ben je een minvermogende…’

‘Ja, misschien wel,’ gaf Tom Poes toe. ‘Mijn list schijnt verkeerd uitgevallen te zijn. Ik ken het geldwezen niet genoeg, denk ik.’

‘Dat denk ik ook,’ zei heer Bommel. ‘Je kunt het beter overlaten aan een ouder en wijzer iemand, zoals ik…’

Hij zweeg en liet verslagen het hoofd hangen.

‘Ach wat,’ fluisterde hij. ‘Luister niet naar mij, jonge vriend. Ik begrijp er ook niets van.’

Kwetal staarde hem verbaasd aan.

‘Dat moet een sterke woestijn wezen,’ zei hij. ‘Eentje die het denk­raam van Bommel te boven gaat. Dan toch maar verhuizen.’ Hij stond berustend op om zijn boeltje te pakken, doch op dit moment sprongen er plotseling twee figuren van achter de boomstammen te voorschijn.

‘Dat treffen we mooi, obb!’ riep een van hen. ‘U hebt het adres van de uitvinder dus gevonden! Daar zit hij, Doerk! Grijp dat oude ventje!’