Angstenvrije zwever van de buitencategorie

Epke Zonderland turnt morgen in de finale aan de rekstok. Achter zijn vriendelijkheid schuilt een zelfverzekerd mens. De lessen uit het verleden zijn geleerd.

Epke, meer niet. Zonderland is een naam uit het verleden. Uit de tijd dat Epke nog een gewone turner bij een gewone club in het gewone Heerenveen was. Nu is Epke niet gewoon meer. Ja, als mens. Maar als turner is hij buitengewoon. Epke volstaat; die kent iedereen.

Epke komt uit Lemmer. Net als Rintje, voorheen Ritsma. Let op Lemsters met een korte, krachtige, ongewone, maar toch typisch Hollandse voornaam. Die kunnen altijd iets wat anderen niet kunnen. Woest hard schaatsen. Of door de lucht zweven en pas neerkomen na de meest ingewikkelde draaiingen te hebben gemaakt. Epke is daar een meester in.

Aan de rekstok heten die kunstjes Cassina, Kovacs of Kolman, maar eigenlijk zou de verzamelnaam Zonderland moeten zijn. Om de simpele reden dat Epke ze als enige ter wereld combineert. En als hij die ingewikkelde maar o zo spectaculaire zweefoefeningen morgen perfect uitvoert, wordt Epke olympisch kampioen. Als eerste Lemster. Want Rintje bleef steken op zilver.

Wat Epke tussen hemel en aarde uitspookt is buitenaards. En dat herkennen de toeschouwers, die zijn optredens steevast met ooh’s en aah’s begeleiden. Ze wanen zich bij een voorstelling van het Chinese staatscircus.

Epke weet niet beter. Hij vliegt van kindsbeen af. Zus Geeske turnde, broer Johan turnde, broer Herre turnde, dus ging Epke ook turnen. Dat hoorde bij de opvoeding van vader Huite en moeder Sophie. En zoals dat gaat onder broers, één is de voetveeg. De jongste dus. Als Johan en Herre een oefening wilden uitproberen was het: Epke, jij eerst.

Wist Epke veel dat hij werd gebruikt. Epke deed wat Johan en Herre vroegen. Met een Lemster achtertuin als proeflokaal. Daar stonden zomers alle turntoestellen opgesteld. En daar werd Epke door zijn broers vaak letterlijk heen en weer geslingerd. Hij dacht dat het zo hoorde. Angst? Waarvoor? Hij werd toch altijd opgevangen door Johan en Herre. Wat kon er misgaan?

Angstenvrij ontwikkelde Epke zich tot een zwever van de buitencategorie, die bij de Olympische Spelen aan de rekstok vooral de Chinezen angst aanjaagt. Maar het zit ook in de genen. Zou goed kunnen dat hij meer dan Geeske, Johan en Herre iets van opa Zonderland heeft meegekregen. Die was boer met het onbestendige gevoel dat hij acrobaat had willen worden. Opa hield ervan in de nok van zijn stal op zijn handen te balanceren. De koeien moeten nog dommer hebben gekeken dan ze normaal al deden.

Naarmate Epke groter groeide werd hij ook steeds beter. Vooral aan de rekstok, zijn favoriete toestel. Die stang werd zijn maatje. Maar vooral zijn houvast toen zijn lichaam tegen begon te sputteren. Spieren in zijn schouder deden niet meer wat ze moesten doen, waardoor Epke niet langer op alle toestellen goed kon turnen. Met uitzondering van brug en rek. Gelukkig ook rek. Mooi, dacht Epke, dan maak ik daar mijn specialiteit van.

Eenmaal groot en bekend bleek Epke een vriendelijk en leuk joch die iedereen voor zich innam. Die blonde, vrolijke, nette jongen had alle eigenschappen voor een nationale knuffelbeer. Wat heet, de turner is intussen doodgeknuffeld. Iedereen houdt van Epke met zijn ontwapenende lach. Hij dankt er tweemaal de uitverkiezing tot sportman van het jaar aan. Epke is een merk geworden.

Maar achter die vriendelijkheid schuilt ook een zelfverzekerd mens, die harde beslissingen durft te nemen. Vraag het Gerard Speerstra, de Heerenveense trainer die Epke zeventien jaar begeleidde. Hij werd na de Spelen in Peking als een onsmakelijke maaltijd terzijde geschoven.

De coach mocht Epke veel geleerd hebben, hij was zo nu en dan ook een onruststoker. De roering die Speerstra vaak veroorzaakte kon Epke niet gebruiken. Paste ook niet bij zijn stabiele karakter. Epkes val in Peking was er één te veel. Zijn les: alleen rust in mijn omgeving kan me in Londen aan goud helpen.

Speerstra exit, Daniël Knibbeler de vervanger. Logisch, want de nieuwe coach praat weinig. Er is nu sprake van een karakterologische symbiose. Mooi duo als onderdeel van een mooi team. Want Epke laat zich begeleiden door een tiental specialisten, van wie een vrouw uit Wolvega de merkwaardigste is.

Josine Haspers loopt wekelijks letterlijk over Epkes rug en rekt zijn spieren dusdanig bruusk op dat buitenstaanders met afgrijzen toekijken. Is dat wel normaal? Volgens Epke wel. Zij werkt volgens de theorie van de Amerikaan Bob Cooley, die al eens naar de praktijk in Steggerda is gekomen om Epke hoogstpersoonlijk bijna uit elkaar te trekken. Cooley laat sporters onder weerstand stretchen. Ongewoon volgens spierkenners, maar Epke wordt er een ander mens van. En een betere turner.

Fysiek is Epke klaar voor de finale. Zei hij vorige week zaterdag met op zak de hoogste score van de kwalificatie. En mentaal? Reken maar. Hardy Menkehorst is zijn mentale begeleider. Maar of hij veel werk aan Epke heeft, valt te betwijfelen. Stabiliteit is een kenmerk van Epke. En de lessen uit het verleden zijn geleerd. Epke heeft focus. Een moderne sportterm, waarvan Epke in Londen de verpersoonlijking is. Bijna on-Nederlands stabiel begint Epke morgen aan de grote greep naar de macht.