Wolfsen past niet bij het gespleten Utrecht

Met het asbestincident in Utrecht kwam burgemeester Wolfsen voor de zoveelste keer onder vuur te liggen. Terecht? Volgens Bastiaan Bommeljé voelt Wolfsen zijn stad, die is gespleten in een rijk en een arm deel, niet goed genoeg aan. Tegelijkertijd is hij slachtoffer van de media en chaotische bestuurders. Wat zij vergeten, is dat Nederland een lange asbestgeschiedenis heeft.

Illustratie Siegfried Woldhek

Het viel deze dagen moeilijk vast te stellen wat verontrustender was: de sporen van asbest in de Utrechtse wijk Kanaleneiland (en op diverse plaatsen elders in het land) of de wijze van berichtgeving daaromtrent in de media. Eens te meer werd duidelijk dat wij leven in een tijd dat journalisten geen geheugen hebben, maar wel op zoek zijn naar een emotionele catharsis. Er dienen schuldigen te zijn, en excuses te klinken, opdat men niet hoeft te melden dat de werkelijkheid zelden overzichtelijk en nimmer verheffend is.

Zo werd in veel media gretig ingehaakt op de jennerige berichtgeving door de website GeenStijl dat de Utrechtse burgemeester Wolfsen op fietsvakantie was terwijl er door zijn plaatsvervanger groot alarm werd geslagen. Toen de burgervader na drie dagen terugkeerde, bleek het ook niet goed. Voor de gemeenteraad was het niet echt nodig geweest, terwijl een lokale televisieverslaggever met overslaande stem riep: „Bent u niet te laat?” Ook deze krant sneerde, op 26 juli, over alle onduidelijkheid: „Wat is het toch met Utrecht en communicatie? Onhandige informatievoorziening lijkt de stad aan te kleven, zeker sinds Aleid Wolfsen er burgemeester werd.”

De vraag is dus: is Wolfsen echt zo’n slechte bestuurder, of is Utrecht zo’n lastig te besturen stad?

Het is een vraag die weinig met asbest te maken heeft, en meer met moderne journalistiek. Ze verraadt immers een perspectief waarin persoonlijke schuld en boete een grotere rol spelen dan de onontkoombare ingrediënten van de realiteit: chaos en misverstand. Sterker nog, de vraag maakt duidelijk dat het velen, ook mensen bij deze krant, blijkbaar is ontschoten dat de eerste berichten over negatieve effecten op de gezondheid door asbest al in 1890 werden gepubliceerd, en dat in Nederland sindsdien ontelbare asbestzaken hebben gespeeld, telkens met dezelfde desorganisatie en hakkelende voorlichters als nu.

Die kwesties variëren van het asbest in de ‘hondekoptreinen’ van de NS tot het asbest in het Rijksmuseum, en van de ernstige asbestperikelen in de DSM-mijnen in de jaren zestig en bij Defensie in de jaren negentig tot het grootscheepse asbestalarm in 2002 in de Overijsselse plaats Goor, waar een nieuwbouwwijk abusievelijk op een stortplaats van de asbestfabriek Eternit was gebouwd. En dat was na de verhuizing van alle bewoners van de Bijlmerbajes in 1999 omdat er asbest in de torens van de inrichting bleek te zijn verwerkt. Tijdens de schoonmaak werden de gedetineerden tijdelijk ondergebracht in de Utrechtse gevangenis aan het Wolvenplein. Zowel zij als de bewoners van Goor klaagden destijds al steen en been over „de gebrekkige communicatie” terwijl de autoriteiten stotterden dat „het asbest geen gevaar opleverde voor de gezondheid”.

Utrecht zelf had in die tijd al ruime ervaring met asbest. Zo bleek in 1985 dat het gevaarlijke spuitasbest (dat nu in Kanaleneiland tot de ontruimingen leidde) in de Domstad in diverse grote gebouwen was verwerkt. Het ging om het Beatrixgebouw op het Jaarbeursplein (nu in gebruik als theater), sterrenwacht Sonneborgh en het voormalig Militair Hospitaal in Oog in Al (dat nu als asielzoekerscentrum dient). En in 1993 werd een groot deel van het noordelijk deel van de stad afgezet toen er brand uitbrak in een voormalige bandenfabriek waarbij asbest vrij kwam, terwijl in 1997 bleek dat het terrein van de Kromhoutkazerne (waar nu het University College is gevestigd) bulkte van het asbest, en in 2007 bij de fabriek van Douwe Egberts asbest in de grond werd gevonden.

Toen moest 2008 nog komen, een topjaar voor asbest. In de Domstad werd wijdverbreid asbest aangetroffen in de wijk Lombok en zelfs langs de chique Maliebaan, zodat de plaatselijke woningcorporaties zich genoopt zagen tot een inventarisatie van de problemen. Destijds werd als uitkomst gemeld dat in een kwart van de gemeentelijke huurwoningen asbest was verwerkt. Dit werd in twijfel getrokken door stedenbouwkundigen. Zij redeneerden dat bij de stadsexpansie in de jaren vijftig, zestig en zeventig, die had geleid tot de wijken Nieuw-Hoograven, Kanaleneiland en Overvecht in zowat alle huizen en flats het ‘moderne’ asbest was gebruikt.

In dat asbestjaar 2008 ontstond er bij het aantreffen van het spul in Utrecht – net als nu – ophef in de media, waren er beschuldigende vingers richting stadsbestuur, en kwamen er sceptische tegengeluiden waarbij werd gerept van ‘hype’ en ‘hysterie’. Blijkbaar beklijfde er bij bestuurders en journalisten weinig van deze commotie, want thans voltrekt dezelfde cyclus zich opnieuw en spreekt het Utrechts gemeentebestuur plechtig van „een nuttige les voor de rest van Nederland”, alsof er geen sprake is van een lange asbestgeschiedenis in dit land.

Het verschil is dat in 2008 voormalig PvdA-kamerlid Aleid Wolfsen koud burgemeester van de Domstad was, terwijl hij vier jaar later diverse kwesties en pr-catastrofes met zich mee torst. Het tegenhouden van een artikel in een lokale krant, ruimhartige declaraties, de weigering een charter te ondertekenen over integratie van Marokkanen, zijn tegenwerken van de Partij Vrij Utrecht, zijn aarzelend optreden bij het wegpesten van homostellen door allochtone jongeren en zijn rol in het afkopen van de ‘probleemfamilie’ Nicolich vormen tezamen een optelsom die hem kwetsbaar maakt. Dat partijgenoten als Diederik Samson en Bram Peper zich laatdunkend over hun partijgenoot uitlaten, draagt er alleen maar toe bij dat journalisten bloed ruiken als Wolfsen in beeld is.

Er valt misschien iets te zeggen voor de opvatting dat deze burgemeester en de stad die hij bestiert een mismatch vormen, omdat zijn vormelijke en wat afstandelijke karakter (en in elk geval zijn spindoctors) moeizaam sporen met de eigentijdse ambiguïteiten van de vierde stad van Nederland. In deze urbane gemeenschap van bijna 320.000 inwoners leeft aan de goede kant van de spoorbaan de zeer geprivilegieerde, jonge en gemiddeld rijke helft van de burgerij – onder wie buitenproportioneel veel GroenLinks-stemmers en journalisten – terwijl aan gene zijde van de spoorbaan de meer dan 100.000 allochtonen leven, waarvan niet weinigen in het kansloze isolement van prachtwijken als Kanaleneiland. Geen wonder dat in de ene helft van de stad alle horecaterrassen te vinden zijn – een beleidsmatig zwaartepunt van de GroenLinks-wethouders – terwijl aan gene zijde van de spoorbaan het asbest te vinden is.

Wellicht was het derhalve weinig verwonderlijk dat de communicatie zo weinig vlot verliep: de gemeente had zo snel niet de Arabische en Turkse woorden voor asbest paraat en de ingehuurde Poolse bewakers verhoogden de linguïstische helderheid evenmin. Bovendien beheerst geen enkele van de hoogopgeleide stadsbestuurders de autochtone Utrechtse tongval – dat doorspekt is met juist nu zeer toepasselijk idioom als ‘kánkerklerezooi’, ‘jánkende schánde’ alsmede ‘áchtelijke dakhaos’. Zij zijn meer van de kinderbakfietsenroute door de binnenstad.

De Domstad is, wil ik zeggen, tot een moderne grootstad uiteengevallen, en er zijn steeds minder Utrechters die nog lijken op de bewoners over wie Hendrik Marsman de loftrompet stak vanwege hun onverstoorbare zin voor de betrekkelijkheid der dingen en hun misprijzende humor. Ik bedoel de Utrechter die niet alleen geneigd is tot deemoedige democratie maar ook tot destructie.

Het slopen zit de Utrechtsman nu eenmaal in het bloed, of het de door de Spanjaarden bezette Vredenburg betreft, dan wel de burgemeester: eenmaal een breekijzer in handen, geraakt hij in een roes. Dat was al zo tijdens de Beeldenstorm in 1566 toen juist de Utrechtse aanhangers van Calvijn een spoor van vernieling door hun eigen stad trokken. Dat was zo op 20 april 1981 na de wedstrijd FC Utrecht - PSV (bloedeloze 1-1), toen de Utrechters hun eigen voetbaltempel De Galgenwaard in korte tijd tot een ordeloze bouwput omtoverden. En het was zo bij de destructieve pathologie waarmee de Utrechtse notabelen in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw het eigen stadshart neerhaalden, om het te vervangen door Hoog-Catharijne, dat nu alweer toe is aan een eigen sloopbeurt. In een referendum mocht de Utrechter kiezen wat hem hierbij voor ogen stond: Visie 1 (‘het stationsgebied als stralend stadshart met internationale allure’) of Visie A (‘voor een authentieke en ontspannen sfeer die op sommige plekken doet denken aan de bestaande stad’). Het werd uiteraard die Utrechtse stedenbouwkundige specialiteit: de versmelting van sloop en architectuur tot permanente troosteloosheid.

Niet voor niets sprak Belle van Zuylen al over ‘triste, triste Utrecht’ toen ze het over haar geboorteplaats had. Voor de Utrechtsman komt de asbest noch de bestuurlijke chaos noch het niveau van de begeleidende journalistiek als een verrassing. Hij wist allang: nergens kraait de haan der mediocriteit zo oerparmantig koning als in de Domstad, waar men geboren wordt om te schitteren op het tweede plan. Echte hoop op verbetering hebben wij allang niet meer. Pretenties en asbest des te meer.

Bastiaan Bommeljé is uitgever en boekhandelaar in Utrecht, alsmede historicus en redacteur van literair tijdschrift Hollands Maandblad.