Van nul naar 76 zetels

Straks op het stembiljet: 21 partijen, waarvan de helft niet eerder in de Tweede Kamer zat. Zijn ze helemaal klaar voor professionele partijdemocratie? Op bezoek bij de SOPN, LibDem en de Piratenpartij.

Sammy van Tuyll van het Nederlandse LibDem probeert in het gemeentehuis van Alkmaar sympathisanten te werven.

Op tafel staat een grote glazen bol. Zo kunnen de kandidaat-Kamerleden zien welk moois allemaal te gebeuren staat als ze straks namens de Soeverein Onafhankelijke Pioniers Nederland in het parlement zitten. Maar eerst moet er even ruzie gemaakt worden. Want Chris den Daas, een van de SOPN-bestuursleden, is nog maar net begonnen uit te leggen hoe de partij campagne moet voeren, of lijsttrekker Johan Oldenkamp onderbreekt hem al.

„Chris. Mag het sneller? Je gebruikt veel woorden om iets te zeggen.”

Den Daas slikt, vervolgt op vriendelijke toon zijn verhaal, tekent blokjes op een bord en schrijft er de woorden ‘wat?’ en ‘hoe?’ naast.

Oldenkamp, direct: „Mijn geduld is op. Je maakt er een spreekbeurt van.”

Den Daas: „Dan stop ik hoor. Alles wat ik wilde zeggen hoort bij die ‘spreekbeurt’ van jou.”

Oldenkamp: „Ja sorry hoor! Ik vraag je om concreet te worden.”

Den Daas: „Sorry dat ik praat zoals ik praat.” Hij gaat gepikeerd zitten en kijkt de rest van de vergadering in stilte naar zijn voeten.

En dat terwijl deze partij – die deze week samen met tien andere vrij onbekende partijen hoorde dat ze op het stembiljet komt – zoveel te zeggen heeft. Want vraag de SOPN naar wat er anders moet in Nederland en je krijgt een baaierd aan dwarse maatregelen.

Shiatsu-massages zouden bijvoorbeeld vergoed moeten worden door de verzekeraar en chemotherapie moet afgeschaft worden, „want daar gaan mensen dus dood aan”. Ook moet een einde komen aan de leerplicht. En aan de arbeidsplicht. „Dan komt de behoefte bezig te zijn van binnenuit. Dan is de dwang tot werken weg en dient niet geld als motivatie om bezig te zijn, maar zingeving.” De meeste kandidaten van de SOPN die samen aan tafel zitten zijn werkloos.

Dat alles aldus lijsttrekker Oldenkamp, helemaal klaar voor het Binnenhof. De zelf ook werkloze oud-lector aan een Drentse hogeschool komt regelmatig mensen tegen die hem „knettergek” noemen, maar „wij lopen nou eenmaal ver voor de muziek uit. Mensen hebben er geen idéé van hoe de overheidsfinanciën ervoor staan. Of wat E2-E4 is. Ze weten niet wat ze niet weten.”

Zoals de waarheid over ufo’s.

Aan de muur van het zaaltje in Soest waar de SOPN haar thuisbasis heeft hangen krantenknipsels – „Ufo’s boven Hoogkerk” – en de partijvoorzitter is naar eigen zeggen een autoriteit op het gebied van buitenaards leven. „Je kunt het niet bewijzen”, zegt ook Oldenkamp, „maar ik weet wel dat in dit land veel niet in de haak is. We willen openheid over alles, ook over ongeïdentificeerde vliegende objecten.”

Welkom in de marge van het Nederlandse politieke bestel, waar het kraakt en piept van ambitie en amateurisme tegelijkertijd. Sommige van de partijen bestaan nog maar enkele weken. Ze betalen de inschrijving en campagne uit eigen zak. En ze hebben namen als Partij voor Mens en Spirit, Partij van de Toekomst of Partij NXD. Die laatste drie letters staan overigens niet voor politieke idealen, maar zijn de initialen van de kinderen van de lijsttrekker: Narqeez, Xeng-fe en Djenghiz.

Er waren nog meer partijen goedgekeurd door de Kiesraad, vijftig in totaal. Die staan geregistreerd en mochten meedoen – als ze zelf ook nog door een paar hoepels zouden springen. Zo moesten ze uiterlijk deze week ten minste één kandidaat-Kamerlid aandragen en een borg van 11.250 euro betalen. Dat geld krijgen ze alleen terug als ze tweederde van de kiesdrempel halen (dat aantal hangt af van de opkomst, bij de vorige verkiezingen was dat 47.000 stemmen).

Ten slotte moesten de aspirant-deelnemers in kieskringen (er zijn er negentien op het vasteland, een op Bonaire) dertig handtekeningen verzamelen. Gewone burgers moeten daarop aangeven dat zij achter de vorming van een nieuwe politieke partij staan. Zo bleven er dus 21 partijen over.

Sammy van Tuyll vindt dit soort drempels terecht, zegt hij, terwijl hij afgelopen woensdag in Alkmaar zijn eigen laatste handtekeningen probeert binnen te halen bij willekeurige burgers die het gemeentehuis binnenlopen. „Vooral als je soms ziet wat er tussen zit.”

Samuel baron van Tuyll van Serooskerken was ooit lid van het VVD-hoofdbestuur, maar probeert nu zijn zes jaar bestaande Liberaal Democratische Partij wat groter te maken. Al dagen is Van Tuyll samen met sympathisanten en kandidaat-Kamerleden door het hele land aan het werven. Van Den Haag tot Zaltbommel, van Nijmegen tot Assen. Een van hen, de 26-jarige Merel Zeilstra, verzucht hoe moeilijk dit is. „In Den Haag was de Anti Europa Partij ook aan het werven. Zij hebben ons weggejaagd. We mochten niet op hun stoepje staan.”

De inhoud, de inhoud, vraagt Van Tuyll telkens weer bezorgd aan de journalist. „We gaan het toch wel over de inhoud hebben?” Hij studeerde zelf geneeskunde, rechten en economie. Werkte bij De Nederlandsche Bank en het ministerie van Financiën. Hij begint dan ook uit zichzelf over kwesties als „loonkostensuppletie”. Voor grote woorden schrikt hij niet terug. „Als je dingen te simpel gaat zeggen, komt de boodschap niet over.”

De partijen verschillen in de manier waarop ze hun boodschap verwoorden, maar wat de nieuwkomers gemeen hebben is dat ze zichzelf stuk voor stuk onmisbaar vinden. Ze hebben een heilig geloof in hun eigen gelijk. Wij snappen het wél, vinden ze allemaal. En Den Haag is de weg kwijt.

Dat soort dogmatisme – en de daaruit voortvloeiende weigering om aansluiting te zoeken bij de gevestigde partijen – heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat Johan Oldenkamp van de SOPN zeker weet dat zijn partij over anderhalve maand Nederlands grootste politieke partij zal zijn. Hij heeft met zorg 76 kandidaten voorgesteld aan de Kiesraad en hij heeft zijn partijgenoten gevraagd niet te speculeren over de kans dat de SOPN minder dan 76 zetels zal halen.

Als een van zijn kandidaten tijdens de vergadering van deze week per ongeluk zegt dat ze „een kleine partij” zijn, slaat Oldenkamp hem dan ook op het achterhoofd. Au. Ze zijn niet „kléín”, ze zijn „nieuw”.

De nog kleine partijen hebben vaak een alomvattend idee over een betere nieuwe wereld. Beetje bij beetje veranderingen doorvoeren, zoals de gevestigde partijen proberen, gaat ze niet ver genoeg. De Piratenpartij wil een maatschappij waarin informatie en ideeën gratis zijn en makkelijk verspreid kunnen worden. En iedereen mag constant meepraten over politiek.

Op woensdag zitten in een Utrechts café aan een ronde tafel de nummers één, twee en drie van de Piratenpartij. Ze zijn hier vaker te vinden. Niet voor de gezelligheid, maar voor een vergadering, een „kroegmeeting”, volgens lijsttrekker Dirk Poot. Een echt kantoor heeft de internetpartij niet, „alleen een virtueel hoofdkwartier”.

Bij de Piratenpartij zijn de meeste kandidaat-Kamerleden op de een of andere manier bezig met internet of computers. „Wij hebben één kandidaat die niet programmeert,” zegt Poot. „Maar die heeft wel een blog.”

Zijn partij doet denken aan andere one-issuepartijen die de afgelopen jaren opkwamen – en soms ook weer verdwenen. Groeperingen die vooral voor ouderen aan de slag wilden, of voor dieren. Maar als ze in de Tweede Kamer komen, dan moeten de Piraten straks ook meestemmen over, bijvoorbeeld, de eurocrisis. EFSM, EFSF, ESM. Wat weten ze daar eigenlijk van? Danny Palic, de nummer twee, wil zich niet gek laten maken. „Ik probeer me nu in te lezen.”

De Piraten doen aan, wat zij noemen, liquid democracy. Via speciale computerprogramma’s kan de achterban op internet meepraten. Deskundigen, op welk gebied dan ook, worden uitgenodigd zich ertegenaan te bemoeien. En als de partijleden het niet eens worden, nou ja, dan niet. „Discussie is belangrijk,” vindt lijsttrekker Poot. „Als we genoeg Kamerzetels hebben, dan stemt de één dit, en de ander dat.” Van de in Den Haag zo gewaardeerde partijdiscipline moet de Piratenpartij niks hebben.

Hoe de politiek zichzelf nu georganiseerd heeft, met verkiezingsprogramma’s waar partijen zich vervolgens toch niet aan houden, Poot vindt het een illusie. „Het hele idee dat je kunt zeggen wat je over vier jaar doet... Het beste wat je kan doen is wat breed leeft onder de leden. Dan zijn we maar even een vreemde eend in de bijt.” En dan dus ook maar geen plek in een volgende coalitie, lacht hij.

Statistisch gezien ziet het er slecht uit voor nieuwe partijen die in de Kamer willen komen. De afgelopen zestig jaar hebben in totaal 171 partijen een poging gewaagd een plekje op het Binnenhof te bemachtigen. 89 procent verdwijnt zonder Kamerzetels weer uit beeld.

Het aantal kleine partijtjes dat Kamerzetels weet te bemachtigen, is vrij stabiel. Elk tijdperk kent zijn eigen nieuwkomers. In de jaren vijftig en zestig waren dat de Boerenpartij, en de Middenstandspartij. In de jaren tachtig waren dat de Centrumdemocraten, in de jaren negentig de ouderenpartijen en vorig decennium viel de LPF op. Die zijn allemaal weg. Maar de SP (sinds 1994), de PVV en de Partij voor de Dieren zijn er nog wel.

Wetenschappers stellen dat beginnende partijen de grootste kans op succes hebben als ze de drie P’s onder controle hebben. People. Pecunia. Pers. De partijleden moeten elkaar de tent niet uitvechten. Er moet geld zijn om de campagne te betalen. En media-aandacht helpt ook.

Niet makkelijk, als je niet voor de grote debatten wordt uitgenodigd. De LibDems van Sammy van Tuyll hebben deze campagne naar eigen zeggen zo’n 30.000 euro te besteden. Ter vergelijking: de PvdA geeft zo’n twee miljoen uit. Ze verwachten hun heil van Twitter. „Onze nummer twee, Petra de Boevere, is een soort Twitter-goeroe”, zegt Van Tuyll. „Zo is Obama ook groot geworden.”

De SOPN zegt genoeg te hebben aan wat geluk. „Wij hebben geen miljarden nodig voor onze campagne”, glimlacht Oldenkamp. „Als wij één goed spotje maken, wordt dat vast uitgezonden. Dan zijn we binnen.”