Strijden tegen doping is het kwaad in onszelf uitroeien

Voor aanvang van de Spelen werden al 107 sporters geschorst wegens dopinggebruik. Anderen, zoals sprinters LaShawn Merritt en Dwain Chambers, mogen ondanks hun dopingverleden nu toch in actie komen. De dopingcontroles worden geavanceerder, maar doping ook. Een historisch overzicht van het eeuwige kat- en muisspel.

Elf oktober 2011 was voor de Amerikaanse sprinter LaShawn Merritt (26) een even beschamende als spannende dag. Beschamend omdat hij naar eigen zeggen een penisvergrotend middel had genomen. Spannend omdat zijn wens om een grotere penis te hebben de inzet was geworden van een arbitragezaak tussen het Internationaal Olympisch Comité (IOC) en het Amerikaanse Olympisch Comité (USOC), dat het voor hem had opgenomen.

Had Merritt doping gebruikt?

Mogelijk, want bij tests was het anabool steroïd nandrolon aangetroffen. Merritt werd 21 maanden geschorst en daarmee uitgesloten van deelname aan de eerstvolgende Spelen omdat hij automatisch onder de zogeheten ‘Osaka Rule’ viel. Die regel verbiedt sporters om mee te doen aan de eerste Spelen na een schorsing van meer dan zes maanden door doping.

Merritt ervoer de Osaka Rule als een dubbele straf en spande een zaak aan bij het sportarbitragehof (CAS). De uitspraak viel in zijn voordeel uit, de Osaka Rule werd ongeldig verklaard. Een historische uitslag en een streep door de rekening van het IOC.

De uitspraak bood tegelijkertijd hoop voor de Britse sprinter Dwain Chambers, die in 2003 voor twee jaar wegens dopinggebruik werd geschorst. Hoewel hij zijn straf had uitgezeten, dwarsboomde het Brits Olympisch Comité zijn deelname aan de Spelen van 2008. Chambers vecht al jaren voor rehabilitatie en dankzij de zaak van Merritt kon Chambers zich alsnog plaatsen voor ‘Londen’.

De twee sprinters komen beiden deze zaterdag voor het eerst in actie in Londen; Merritt op de 400 meter, Chambers op de 100 meter.

Al eeuwenlang proberen sporters hun prestaties door middel van verboden middelen te verbeteren. Maar pas sinds de Spelen in 1968 wordt er ook gecontroleerd op doping. Welke sporter werd al eerst ‘gepakt’? En hoe hebben doping en de controles zich ontwikkeld? Een overzicht.

Kruiden en rattengif

Al op de eerste Olympische Spelen gebruikten deelnemers doping. In 776 voor Christus zochten de Griekse atleten hun toevlucht tot mysterieuze kruidenmengsels. De moderne sportwereld hoorde voor het eerst over doping tijdens de Spelen van 1904. De Engelse loper Thomas Hicks slikte strychnine, ofwel rattengif, in combinatie met brandy. Na de finish viel hij bewusteloos neer.

Doping werd pas een reëel probleem toen sporters amfetaminen begonnen te slikken. Amfetaminen stimuleren de zenuwbanen en raakten in gebruik onder militairen tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de decennia daarna werd het gebruik van amfetaminen, beter bekend als pep, ook in het uitgaansleven populair.

Eerste controles

De eerste min of meer serieuze dopingcontroles dateren uit 1955 en werden gehouden in de wielersport. In 1962 besloot het IOC dat tijdens de Spelen van Mexico (1968) voor het eerst controles zouden worden uitgevoerd aan de hand van een lijst van verboden middelen.

Eerder in de jaren zestig hadden de Russen en de Oost-Duitsers echter al een enorme voorsprong genomen op de westerse landen. Om de superioriteit van de communistische heilstaat door hun atleten te laten uitdragen, ontwikkelden in de voormalige DDR sportgeleerden de eerste anabole steroïden.

Zwemmers, krachtsporters, atleten en schaatsers wisten van niets. Zij werden als proefdieren gebruikt. Pas na de val van de Berlijnse Muur in 1989 kwamen hun getuigenissen naar buiten en werden de verantwoordelijke autoriteiten gestraft.

Bodybuilders

Maar niet alleen in de DDR liepen ‘dokters Frankenstein’ rond. Ook in West-Duitsland en Amerika werden in hoog tempo anabole steroïden gemaakt en aan atleten toegediend. Voormalig atletiektrainer Henk Kraaijenhof heeft in de jaren zeventig en tachtig het dopegebruik van sprintkanonnen van dichtbij meegemaakt. „Die spullen lagen toen nog gewoon bij de apotheek, dus atleten konden er gemakkelijk aankomen. Artsen hielden zich ook niet altijd aan de ethiek. Zo is doping langzaam de sportwereld binnengeslopen, geen sport uitgezonderd.”

Anabolen waren populair bij gewichtheffers en bodybuilders. Het illegale gebruik ervan in sportscholen was ronduit zorgwekkend. Begin jaren tachtig kwamen er nieuwe wetten tegen de handel, maar die hielpen weinig tegen het dealen op grote schaal.

De westerse landen zien doping nu als een groot maatschappelijk probleem, in één adem genoemd met het drugsgebruik onder jongeren. In 1984 sloten de sportministers van de Europese landen een akkoord over een Europese aanpak: regeringen moesten invloed uitoefenen op sportbonden om dopegebruik terug te dringen. Maar niet alle nationale sportbonden deden mee; het gebruik van stimulerende middelen bleek niet te stoppen en er kwamen steeds nieuwe middelen op de markt die niet konden worden opgespoord.

Ben Johnson

Tot 1988 was er nooit een topatleet positief bevonden tijdens de Spelen. Maar in Seoul was het zover. De autoriteiten troffen een paar dagen na de 100 meter in de urine van de Canadese winnaar Ben Johnson de steroïden stanozolol aan. Hij moest zijn gouden medaille inleveren. Aan de basis van deze sensationele ontdekking stond de Duitse chemicus Manfred Donike die begin jaren tachtig een methode had ontwikkeld om synthetisch testosteron op te sporen.

In 1999 richtten de bij het IOC aangesloten landen het wereldantidopingbureau (WADA) op. WADA mag bloedmonsters negen jaar lang bewaren, zodat atleten met terugwerkende kracht alsnog kunnen worden geschorst. Tegelijkertijd kwam eind jaren negentig epo op de markt. Epo is synthetische bloeddoping dat het beenmerg stimuleert meer rode bloedcellen aan te maken.

Niet lang na de ontdekking bij Johnson kwamen groeihormonen (HGH) op de markt. Aanvankelijk waren die schaars, omdat deze hormonen uit lijken moesten worden gewonnen. Een paar jaar later, toen groeihormonen biosynthetisch gemaakt konden worden, raakten ze meer in zwang. Pas in 2004 tijdens de Spelen van Athene was er een test beschikbaar waarmee groeihormonen konden worden aangetoond. Omdat sporters goed wisten hoe ze controles konden omzeilen, stelden de internationale atletiekfederatie IAAF en het IOC eind jaren tachtig de out-of-competition-controles in. Sporters konden tijdens de training onverwacht bezoek krijgen van dopingcontroleurs.

Balco-schandaal

Een van de meest geruchtmakende zaken buiten het professionele wielrennen is het Balco-schandaal. Balco staat voor Bay Area Labaratory Co-operative, een onderzoekscentrum voor sportvoeding in Californië dat het verboden steroïd tetrahydrogestrinone (THG) ontwikkelde. In juli 2005 werd de scheikundige Patrick Arnold tot vier maanden gevangenisstraf veroordeeld wegens het distribueren van steroïden. Eenmaal uit de gevangenis gaf hij een interview op de Amerikaanse zender ABC waarin hij toegaf vijfvoudig olympisch sprintkampioen Marion Jones en haar partner, sprinter Tim Montgomery, THG te hebben geleverd. Ook sprinters Kelli White en Chambers hadden de verleiding van THG niet kunnen weerstaan.

Toch is Jones nooit betrapt. Pas toen haar oud-coach Trevor Graham het Amerikaanse antidopinginstituut had getipt, volgde uiteindelijk een dramatische bekentenis.

Lasse Virén

De opsporing is inmiddels wetenschap geworden. Het kat- en muisspel tussen de farmaceutische industrie en de speurders gaat onverminderd door. Er is nu een test in de maak die kan aantonen dat een sporter zich met zijn of haar eigen bloed heeft geïnjecteerd. Geruchten over bloeddoping deden al de ronde in 1972, toen de Finse atleet Lasse Virén op onnavolgbare wijze olympisch kampioen werd op de 5.000 en 10.000 meter. Hoewel hij altijd heeft ontkend, wordt hij nog steeds gezien als de eerste atleet die bloeddoping gebruikte.

Deze vorm van stimulering was tot voor kort niet aan te tonen, simpelweg omdat je niet positief kan testen op je eigen bloed. Olivier de Hon van de Nederlandse Dopingautoriteit legt uit hoe WADA dat nu wel op het spoor kan komen. „Elke duursporter heeft een paspoort waarin alle bloedwaarden staan vermeld. Als waarden bij een dopingtest te veel afwijken van de standaard in het paspoort, kan een atleet positief bevonden worden.” Een sluitende test ontbreekt tot nu toe, vertelt De Hon. In september 2011 kondigde David Cowen van het Drug Control Center in Londen tijdens een congres in Bradford een doorbraak aan in het onderzoek naar bloeddoping. Of dit tot een sluitende test zal leiden, moet worden afgewacht. De Hon is sceptisch.

Gendoping

De volgende stap is gendoping, waarbij artsen door in te grijpen in de genen lichamelijke eigenschappen kunnen manipuleren. Of er tijdens deze Spelen al genetisch gemanipuleerde sporters rondlopen, kan De Hon niet zeggen. Het dopegebruik tijdens de Spelen schommelt al jaren tussen de 1 en 2 procent. De meeste sporters worden gepakt in het voortraject of bij out-of-competition-controles.

Wat Kraaijenhof betreft is de strijd al lang verloren. „Net als de oorlog tegen drugs is het een gevecht tegen onszelf. Dat winnen we dus nooit. Het gaat om het uitroeien van het kwaad in onszelf.”

Sommige experts pleiten voor legalisering van doping: als de een dope gebruikt en de ander niet, is dat oneerlijke concurrentie; als iedereen gebruikt, is de strijd weer gelijk. Of dat iets zal oplossen is volgens De Hon maar zeer de vraag: „Ik ben me er van bewust dat de discussie over 40 jaar achterhaald kan zijn. Vroeger werd harder trainen dan je tegenstanders beschouwd als concurrentievervalsing. Het alternatief is niet aantrekkelijk. Als je doping legaliseert, gaat voor sporters een nieuwe wet gelden: wie het meest durft, die wint.”