Roeien in een roes

Geen last van zijwind, maar wel van beukende golven en gierponten. Marina van den Berg roeit in een wherry de Elbe af.

Tijdens de roeitocht op het snelstromende water van de Elbe is er weinig kans om te lunchen. Dus scheur je met je handen een broodje open, plet er een smeltkaasje tussen en propt het in je mond. En plassen? Dat kan ook in een hoosblik.

Deze Labe-Elbetocht van de Koninklijke Nederlandse Roeibond begint in het Tsjechische Melnik (Labe is de Tsjechische naam voor Elbe) en eindigt in het Duitse Torgau. Verdeeld over acht boten zijn we met 32 roeiers. We varen langs letterlijk uit elkaar vallende Oostblokindustrie, dromerige dorpjes en brede uiterwaarden. In Tsjechië liggen de bruggen op lompe pijlers, die zo hoog zijn als flatgebouwen. Verderop in Duitsland vaar je onder verfijnde hangbruggen door, kleine wonders van ingenieurstechniek. Zo is het ook een reis door de geschiedenis.

Voor zover ik daar oog voor heb. Want om je heen is voortdurend het woedende, kolkende water van de Elbe. We roeien met vier vrouwen in een stabiele wherry, dat is het dikkige, korte zusje van de Holland Acht; een toerroeiboot waarin je zwemvesten en proviand kan meenemen. Maar aanleggen kost tijd en is een zenuwslopende ervaring met deze harde stroming. Dus varen we vrijwel de hele dag. Met de stroming mee kan je makkelijk 50 kilometer afleggen.

Het begint relatief rustig in Tsjechië: de zes enorme sluizen die we passeren, dempen de stroming. Onze stemmen echoën tegen de wanden als we een meter of zes zakken. Met pikhaken houden we ons vast aan de nooduitgang: trappetjes in het glibberige beton. Achter de boot doemt uit de diepten een monsterachtige schep die de sluis afsluit. Godzijdank is er hier geen andere recreatieve vaart. Je moet er niet aan denken dat je naast een luxejacht ligt dat even niet oplet. Onze roeiboten zijn zo dun als papier en we hebben geen motor die in z’n achteruit kan. Wel zijn we een stuk wendbaarder, als we goed samenwerken tenminste. Roeien is een totaal ondemocratische teamsport. De ‘stuur’ geeft commando’s die je als roeier moet opvolgen. Doe je dat niet, dan kan de boot zinken of stuk slaan tegen een cruiseschip.

Echt stil en romantisch is het niet in Tsjechië. Goederentreinen denderen langs. Mijnbouw en steenkolencentrales maken lawaai als opstijgende Boeings. In Nederland zou het industrieel erfgoed zijn, hier is in de bakstenen fabrieken geen ruit meer heel. Daarbij stortregent het en beukt de wind op de boeg. Het merkwaardige van roeien is dat je in een soort roes raakt. De rustige beweging van de riemen, de trap van je benen, het ritme. Uiteindelijk merk ik niets meer van wind, regen of denderende treinen. En dat is met iedereen zo. Als beloning sluiten we de dag af bij de chique roeivereniging in Decin. Het robijnrode antieke meubilair en de witte, kanten tafelkleedjes contrasteren nogal met onze stinkende roeikleding. De verlegen serveerster rijdt een tafeltje met glazen witte wijn naar ons toe.’s Avonds val ik doodmoe in mijn hotelbed.

Grenstoerisme

De dagen erna komen we in de grensstreek met voormalig Oost-Duitsland. De wind valt weg door de hoge groene bergen. Vakwerkhuisjes in vrolijke kleurtjes maken het allemaal wat vriendelijker. Overal zijn er sporen van voormalig grenstoerisme: Steuerfrei einkaufen! Raderboten varen op en af. De kapiteins schrikken zich dood van onze speelgoedbootjes. Waarschuwende stoomfluiten weerkaatsen over het water. Hier heb je ook de verraderlijke ‘gierponten’. Dit zijn vaak motorloze veerbootjes aan een lange sleepketting. Als een slinger van een klok gieren ze heen en weer op het stromende water. Eenmaal los van de wal, zijn ze onbestuurbaar. En als roeiboot moet je niet vast raken in de fuik van de ketting.

Bij het passeren van de grens herinnert een verlaten grenspost aan het verleden. Het platte gebouw staat op betonnen palen en heeft alom ramen, spiedende ogen die alles lijken op te nemen. Maar niemand vraagt om ons paspoort. We zijn de enigen die hier varen. Hier geen motorjachtjes van pensionado’s, al is het ideaal vaarwater.

Behalve dan om aan te leggen. De ‘stuur’ zegt: „Ditmaal ga ik op tijd keren.” Net als bij een zeilboot draai je om bij het roeien, zodat je tegen de stroming in kan aanleggen. En het zal ons niet wéér gebeuren dat we meters terug moeten varen. Maar de wind maakt korte steile golfjes en de stroming is onvoorspelbaar. De boot verlijert, hij beweegt opzij, en weer roeien we als een gek om niet ergens in Hamburg de zee in te spoelen. De adrenaline spuit uit mijn oren na zo’n manoeuvre.

De dagen erna razen we bij Dresden onder de bruggen door, met uitzicht op de Frauenkirche. Het water wordt breder en breder en het landschap steeds Hollandser. Uiterwaarden, mekkerende schaapjes en gigantische containerschepen. Na een week op het water wankel je de aanlegsteiger op. Bij het laatste diner in Torgau valt een roeimaatje tijdens het gesprek in slaap. Tijd om naar huis te gaan, 265 kilometer dichterbij dan ons vertrekpunt.