Pas serieus genomen na lof s New York Time

Voor de vakantiekoffer maakt Michel Krielaars deze week een keuze uit het aanbod van schrijvers die in Nederland pas laat werden opgemerkt. Van Keilson tot Tomasi di Lampedusa.

Sommige buitenlandse schrijvers krijgen in Nederland pas kort voor of lang na hun dood de erkenning die hun toekomt. Een van die schrijvers is Hans Keilson. In augustus 2010 – hij was al honderd en had nog geen extra jaar te leven – werd hij door The New York Times uitgeroepen tot een genie. De Nederlandse vertaling van zijn roman Der Tod des Widersachers (1959) werd door dit Amerikaanse eerbetoon ineens een bestseller.

In de ban van de tegenstander (Vert. M.G. Schenk, Van Gennep, 263 blz. 7,50 euro) is het verhaal van een jongeman in een Duits stadje aan het begin van de jaren dertig, die aanvoelt dat hij vervolgd gaat worden. Die jongeman is een Jood, zijn vervolgers zijn nazi’s, maar dat staat nergens geschreven.

De vervolgde ontwikkelt een obsessie voor zijn tegenstander (lees: Hitler) en probeert zich in hem te verplaatsen om diens succes te kunnen begrijpen. Hoogtepunt is het moment waarop de tegenstander in een hotel een redevoering houdt, die via een luidspreker ook in het cafégedeelte te horen is waar de vervolgde zit. Na verloop van tijd beseft hij dat hij zijn aanstaande vernietiging hoort verkondigen en begint hij te verlangen naar de dood van de tegenstander. Bijna nergens wordt de sluimerende opkomst van de nazi’s zo subtiel geschetst als hier.

Samen met Keilson is ook Hans Fallada (1893-1947) komen bovendrijven op de lofzangen van The New York Times. Zijn werken worden voorbeeldig uitgegeven, met als laatste wapenfeit De drinker (Vert. A. Folkertsma, Cossee, 12,50 euro), waarin de ondergang van een aan drank verslaafde zakenman wordt beschreven op een manier die sterk aan de Berlijnse romans van Nabokov doet denken.

Als baanbreker voor een Nederlands succes fungeerde The New York Times ook voor Siegfried Lenz (1926), wiens meesterlijke roman uit 1968 Duitse Les (Vert. Jaap Walvis, Van Gennep, 12,50 euro) in enkele maanden een derde druk beleefde. De roman speelt zich af op het platteland van Oost-Friesland in het laatste oorlogsjaar en gaat over het conflict tussen een Befehl ist Befehl-veldwachter en diens tienjarige zoontje Siggi. Siggi is de verteller en doet zijn relaas in de vorm van een opstel dat hij na de oorlog als strafwerk schrijft in een heropvoedingsgesticht. Hij is daar terechtgekomen omdat hij een paar schilderijen van de ‘entartete’ schilder – en gewezen vriend van zijn vader – Max Ludwig Nansen uit een museum heeft gestolen. Net als bij Keilson komt het woord nazi in het boek niet voor. En ook hier voel je die permanente dreiging, die wordt benadrukt door aangrijpende natuurbeschrijvingen.

Een schrijver die zijn verdiende roem in alle opzichten misliep is de Siciliaan Giuseppe Tomasi di Lampedusa (1896-1957), wiens enige roman een jaar na zijn dood verscheen, omdat geen Italiaanse uitgever het manuscript wilde publiceren. De tijgerkat (Vert. Anthonie Kee, Athenaeum – Polak & Van Gennep, 11,95 euro) is een van de mooiste boeken ooit geschreven, ook omdat het zo’n haarscherp inzicht geeft in het menselijke streven naar macht, waarbij alles van waarde moet wijken. Zo ziet Don Fabrizio, prins van Salina, met lede ogen aan hoe Garibaldi in 1860 de Italiaanse eenheid smeedt en een einde maakt aan de heerschappij van de Bourbons over Sicilië, om de macht in handen te geven van de burgerij. De tijgerkat is een literaire verdediging van het conservatisme, voor zover dat het behouden van het goede betreft.

En dan is er nog de onvergetelijke sterfscène van Don Fabrizio, met een zin als ‘Ik ben drieënzeventig, in totaal zal ik zo ongeveer twee… hooguit drie jaar geleefd, echt geleefd hebben.’

Voor wie zich niet terneer wil laten slaan door al die te late huldigingen van grote schrijvers uit de wereldliteratuur, is er de goednieuwssaga van Niccolò Ammaniti (1966), wiens internationale succes verzekerd was door zijn verfilmde roman Ik ben niet bang. Met zijn roman Ik haal je op, ik neem je mee (Lebowski, 10 euro) nam hij een paar jaar eerder afscheid van een carrière als horror- en pulpschrijver en stapte hij in de wereld van de serieuze literatuur. Het boek beschrijft een aantal levens in een dorp even buiten Rome. Zoals dat van het studieuze jongetje Pietro, dat op een avond wordt gedwongen mee te doen aan een inbraak op school. Wat er vervolgens gebeurt, is allemaal zeer vermakelijk en flitsend opgeschreven, maar met de literatuur van Keilson, Fallada, Lenz en Tomasi di Lampedusa heeft het niets te maken.