Lijn 4 is terug

Opnieuw hebben we in Amsterdam een dag van historische betekenis beleefd. Sinds maandag 30 juli 2012 kunnen we weer met de tram, lijn 4, door de Utrechtsestraat, voor het eerst sinds daar drie jaar geleden met een grote vernieuwing werd begonnen. We weten hier niet wat ons overkomt. Veertien dagen eerder is de prachtig gerenoveerde Hogesluis, de brug over de Amstel bij het Amstel Hotel heropend, na een renovatie die drie jaar heeft geduurd. In september gaat het Stedelijk Museum open nadat het plusminus tien jaar gesloten is geweest, en komend jaar is het vernieuwde Rijksmuseum weer toegankelijk. Als nu nog volgens de plannen van Wim T. Schippers De Nederlandsche Bank wordt gesloopt en het Paleis voor Volksvlijt herbouwd, kunnen we ons in de stad weer een beetje thuis voelen.

Maar eerst de Utrechtsestraat. Aangelegd omstreeks 1658, als onderdeel van de grote stadsuitbreiding; in 1877 opgenomen in het traject van de paardentram die 27 jaar later werd vervangen door de elektrische. Pas in 1948 kwam tramlijn 4, die toen aan de kant van de Amstel eerst door de Bakkerstraat reed, dan een scherpe bocht maakte en via de rivieroever de Munt bereikte. Ten behoeve van deze bocht was in de Amstel een klein schiereilandje aangelegd. Op een keer vergat de bestuurder bijtijds te remmen en lijn 4 kwam in het water terecht. Geen slachtoffers. Bij de foto van dit ongeluk heb ik toen een gedichtje gemaakt: In de Amstel lag een tramstel. Het is afgedrukt in Het Parool.

In deze tijd lijdt de gemiddelde stadsbestuurder aan een dubbel tekort. Gedreven door eerzucht laat hij zich verleiden tot grote projecten. Dit zal de stad nog hoger op de wereldranglijst brengen, denkt hij. En tegelijkertijd heeft hij een verborgen gebrek aan voorstellingsvermogen. Hij heeft geen idee van het professionele optimisme dat de gemiddelde aannemer, projectontwikkelaar eigen is. Misschien laat hij zich verleiden door het vooruitzicht op roem, een historische reputatie. Je weet het niet.

In ieder geval, hij zegt ja. Niet altijd, godzijdank. Anders waren volgens het plan-Kaasjager in de jaren vijftig de grachten tot snelwegen omgetoverd, hadden we parkeergarages onder de Amstel gehad, nog meer van die hyperfaciliteiten.

Het begint altijd met visioenen (vaak valt het woord omtoveren) en als de beelden van de toverlantaren overtuigend genoeg zijn, gaat plechtig en feestelijk de eerste spade in de grond. Binnen een paar jaar zal je er nog van opkijken, wat daar voor groots is verricht. Snel verandert nu het stadsbeeld. Straten worden afgezet, tramlijnen omgeleid, er verschijnen enorme machines die door gehelmde mannen worden bestuurd, een rij huizen dreigt in te zakken, winkels gaan failliet. Het omtoveren heeft de meest verbazingwekkende gevolgen maar niet de beloofde.

Dit is een zakelijke beschrijving van de Amsterdamse werkelijkheid aan het begin van deze eeuw. Hoe oud is een kind als het bewust naar zijn stad begint te kijken? Ik schat een jaar of zes, zeven. Dit betekent dat in Amsterdam al een halve generatie gewend is aan een centrum waarvan de vitaalste delen – het Stationsplein, Damrak, Rokin, Vijzelgracht, Ferdinand Bolstraat, Museumplein – in staat van reddeloze reconstructie lijken te verkeren. Die kinderen weten niet beter. Het herstelde of gerenoveerde Amsterdam dat hier en daar uit de steigers begint te komen, zal voor deze kinderen een vreemde stad zijn.

Zo ernstig is het met de Utrechtsestraat niet gesteld. Het grootste deel van deze drie jaar durende vernieuwing mocht er geen rijdend verkeer doorheen, maar wat is vergelijkenderwijs zo’n drie jaar? En nu godzijdank ook weer met lijn 4. Een van de belangrijkste eigenschappen van het openbaar vervoer, overal, is dat het de stad voor je ontsluit. Je stapt in een willekeurige tram, niet in het spitsuur, zoekt een mooi plaatsje aan het raam, en kijkt en kijkt. Zo leer je een stad kennen.

Door de verandering van de route heeft lijn 4 de afgelopen drie jaar niet meer over het Frederiksplein gereden, maar die ruimte alleen nog geschampt. Uit de verte zag ik dat de gemeente De Nederlandsche Bank omringd had met geweldige keien, bijna hunebedformaat, maar waarom? Voor het mooi? Voor de veiligheid? Niemand kon het me vertellen. Verder was de Knakenpaal, monument gemaakt door André Volten ter ere van Anthony Winkler Prins (de schepper van de grote gedrukte encyclopedie) uit het zicht verdwenen. En in Café Oosterling, op de hoek van het plein en de Utrechtsestraat, kwam ik niet meer. Daar heb ik voor het laatst Ton van Duinhoven (1921-2010) gezien, de acteur die voor mij onvergetelijk is geworden door zijn creatie van de suppoost in het Feyenoordstadion, Ronald Reagan en vooral de eerste ambassadeur van de Chinese Volksrepubliek. In een vroeger leven heeft die op Katendrecht gewerkt en daar Nederlands geleerd. Laat u eens iets horen, excellentie, vraagt de interviewer. Hij glimlacht op z’n Chinees in de camera en zegt: Boerelul. Met lijn 4 komt het allemaal terug.