Het nichtje dat ze thuis een vonden miesmacher

Fifi Ehrlich was de oogappel van haar oom. En hij was Abraham Tuschinski, de Pools-Joodse emigrant die in de jaren twintig en dertig het grootste bioscoopconcern van Nederland opzette. Tot op hoge leeftijd praatte ze graag en met liefde over hem – dat kleine, buikige mannetje met zijn zware Oost-Europese accent, zo goed als analfabeet, wiens naam op de art-decogevel van het Amsterdamse bioscooppaleis prijkt. Al kwam ze daar alleen nog op hoogtijdagen; voor gewone bezoekjes waren de herinneringen te wrang.

Abraham Tuschinski runde het bedrijf samen met zijn zwagers Hermann Ehrlich en Hermann Gerschtanowitz. Ze wilden naar Amerika, maar bleven onderweg hangen in Rotterdam waar ze hun eerste bioscooptheaters openden. Ehrlich trouwde met een Nederlandse vrouw, met wie hij twee kinderen kreeg: Sophia (Fifi) en Nathan (Tannie). Al op haar twintigste, in 1938, zag Fifi Ehrlich de ramp aankomen die de Joden zou treffen. Ze nam een principiële houding aan: „Ik was al kwaad als iemand in mijn familie Duitse producten kocht of naar de Italiaanse opera ging.” Thuis vonden ze haar echter een miesmacher, een zwartkijker. Ook oom Abraham, die een verhouding had met haar moeder, zag geen gevaar, zei Fifi: „Hij voelde zich in de eerste plaats Nederlander, en niet in de eerste plaats een Jood.”

Maar zij wist uit de eerste hand wat het naziregime van plan was, want ze hielp mee met de opvang van uit Duitsland gevluchte Joden. Een van hen was zanger Arthur Durlacher, wiens tienjarige zoon Gerhard tijdens vergaderingen van het actiecomité in stille aanbidding naar Fifi keek: „met haar lange zwarte haar, haar rode lippen, haar opwindende lach en haar ranke figuur” – dat schreef hij later in zijn verhalenbundel Quarantaine.

Toen de bezetting kwam, vluchtte Fifi Ehrlich naar Zwitserland, terwijl haar broer Tannie en de zoon van Gerschtanowitz in Nederland ondergedoken waren. Gedrieën waren ze de enige overlevenden van de hele familie. Na de oorlog werd Gerschtanowitz de eerste naoorlogse directeur van het enige overgebleven Tuschinski-theater. De theaters in Rotterdam waren tijdens het bombardement van 14 mei 1940 in vlammen opgegaan.

Na de oorlog vestigden broer en zus Ehrlich zich in Amsterdam. Hij opende er een succesvol kaasfonduerestaurant, waar zij als gastvrouw werkte. Ze is getrouwd geweest, maar er kwamen geen kinderen.

Tot ver voorbij de tachtig was ze actief voor het Joods Maatschappelijk Werk, dat haar in 2006 een erespeld voor vrijwilligers uitreikte. Al die jaren zong ze volop mee in het Zeedijkkoor, dat bestaat uit vaste klanten van verschillende cafés in het binnenstadstraatje. Dat ze dan nog laat op de avond met de tram naar huis moest, in Amsterdam-Oost, deerde haar niet. Ze was sterk.

Tot ze op 18 juli stierf, een dag na haar 94ste verjaardag.

Henk van Gelder