De fotograaf en de twee Turkse geheim agenten

Vijf dagen zat Jeroen Oerlemans vast in Syrië, gegijzeld door jihadisten. Hoe werd de fotograaf bevrijd? Over kettingmails en sms’jes, meegegriste sandalen en een „weinig behulpzaam ministerie”.

Op dinsdagavond 24 juli gebeurt waar Boes Hogewind al dagen bang voor is. In haar mail vindt ze een bericht van CNN. De Amerikanen hebben gesproken met ene Dahram, smokkelaar. Hij is het die haar vriend, fotograaf Jeroen Oerlemans, naar Syrië zou brengen. Razendsnel gaat ze door de tekst. Dahram is gevlucht. Ze leest „ontvoerd”, „geblinddoekt”, „ze dreigen hem te doden”, „rennen” en „ze begonnen te schieten”. Nu weet ze: haar vriend wordt gegijzeld door jihadisten.

Kort daarna gaat de telefoon. Een Nederlandse man aan de lijn, hij stelt zich voor als Kees de Rijk van de landelijke politie. Ook hij kent de inhoud van de mail. Hij vertelt dat hij Hogewind nu moet „voorbereiden” hoe om te gaan met telefoontjes over „losgeld”. Want haar man is gegijzeld. Hij vraagt of ze nog diezelfde avond naar Utrecht kan komen.

Hogewind peinst daar niet over. Al dagen verkeert ze in spanning over haar man. Nu komt deze mail eroverheen. Bovendien: ze zit bij familie in Wassenaar met haar drie kinderen en is na het mailtje compleet van slag. Het lijkt haar niet verstandig nu in de auto te stappen.

Kan de KLPD niet naar háár toekomen, oppert ze. Dat ga ik niet doen, antwoordt De Rijk. Kan het dan telefonisch, vraagt Hogewind. Ook dat is niet mogelijk, zegt de KLPD’er. Ze moet goed weten wat haar te wachten staat. Heeft ze al informatie gedeeld met anderen? Dat is precies wat ze niet had moeten doen, zegt hij. „Ik heb op een gegeven moment maar opgehangen”, vertelt Hogewind.

Direct gaat de telefoon weer. Het is de directeur van een particulier Brits bedrijf, gespecialiseerd in het oplossen van gijzelingszaken. De verzekeringsmaatschappij van Oerlemans heeft het bedrijf ingeschakeld. De Brit luistert geduldig naar Hogewind. Hij vertelt welke vragen ze moet stellen als de gijzelnemers contact opnemen en hij heeft een boodschap voor haar: hij en zijn collega zullen morgenvroeg naar Nederland vliegen en een hotel boeken bij haar om de hoek. De ochtend erna zullen ze op de stoep staan en alles met haar doornemen. Ze is blij met die steun.

Donderdag 19 juli probeert de 42-jarige fotograaf Jeroen Oerlemans met een Britse collega John Cantlie en een Syrische smokkelaar de grens tussen Turkije en Syrië over te steken. Vlak over de grens stuiten ze op jihadistische strijders. Afkomst: Afrika, Zuidoost-Azië, Kaukasus en Europa. De groep zet hen direct gevangen. Ze liggen vastgebonden op de grond, gezicht naar beneden. Met handgebaren communiceren ze met elkaar, een paar woorden per dag.

Op zaterdagochtend proberen ze weg te komen. Eerst rent Cantlie, dan Oerlemans, dan de smokkelaar. De smokkelaar kiest een andere weg, één van de strijders ziet hem en waarschuwt zijn maten. Ze beginnen te schieten, Oerlemans en Cantlie raken gewond, de smokkelaar ontsnapt. Vijf dagen later halen vier gewapende mannen, gelieerd aan het Vrije Syrische Leger, de journalisten op en rijden schietend en met hoge snelheid weg van de jihadisten. Ogenschijnlijk zonder tegenstand. Wat gebeurde er in de tussentijd bij de familie, op het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, in Turkije en bij andere journalisten? Wie deed wat? En waardoor kwamen ze vrij?

Zondag 22 juli

Het laatste levensteken van haar vriend was een smsje aan Hogewind. Donderdagavond 19 juli om half zes Nederlandse tijd, piepte haar telefoon: hij zou de grens oversteken en hij zou daarna snel contact opnemen. Vrijdag had ze niets gehoord, zaterdag ook niet. En dat terwijl hij drie telefoons bij zich droeg: een Turkse, een Nederlandse en een satelliettelefoon. Zaterdag was ze alvast gaan informeren bij de producer van de NOS-correspondent in Libanon, die tot die zondag in Damascus zit. Of het echt zo moeilijk is om te bellen vanuit het land? Ze kreeg geen bevredigend antwoord. Ook Roel Geeraedts, correspondent voor RTL Nieuws, begon zich zorgen te maken.

Zondagmiddag telefoon: PANOS, het fotobureau waar Jeroen voor werkt. Ook zij zijn bezorgd. Ze vertellen dat Jeroen nooit op het afgesproken punt in Syrië is aangekomen. Twee vrienden van Cantlie besluiten een mailgroep op te richten. Ook Nederlandse journalisten sluiten zich aan. Pieter Klein, adjunct-hoofdredacteur van RTL Nieuws, is één van hen. Hij voelt zich betrokken bij de Nederlandse fotograaf en is bang dat de freelancer tussen wal en schip dreigt te raken. De Britse vrienden van Cantlie, James en Nicole, gaan intussen op onderzoek uit bij de grens. Ze spreken met smokkelaars en horen dat de smokkelaar die met de twee journalisten mee was niet meer bij hen is. Hij is uitgeput, maar vertelt dat de journalisten „ok” zijn: ze leven nog. Die informatie bereikt Hogewind nog diezelfde avond via de kettingmail van James en Nicole.

Maandag 23 juli

Een medewerker van Buitenlandse Zaken belt in de ochtend naar Hogewind. Ook het ministerie weet van de vermissing van Oerlemans, Hogewind heeft meerdere malen het nummer van de meldkamer gebeld. Telkens moet ze haar verhaal opnieuw doen en wachten om doorverbonden te worden.

Nu belt iemand terug. Het is een kort gesprek. De vrouw vertelt dat het ministerie gaat uitzoeken waar haar vriend precies is. Ze geeft ook haar mobiele nummer. Hogewind mag haar altijd bellen, ook middenin de nacht, zegt ze erbij. Buitenlandse Zaken zal de Turkse autoriteiten vragen wat zij van Oerlemans weten. Han Peters, directeur Consulaire Zaken, en een diplomate die in Syrië werkte, vormen vanaf die dag een team. Na het overleg zou Hogewind geïnformeerd worden.

Dat gebeurt niet. Ze belt zelf en de medewerker excuseert zich: „Dit [ministerie, red.] is nu eenmaal een log apparaat.”

Dinsdag 24 juli

Buitenlandse Zaken belt. Er is slecht nieuws: de twee journalisten zijn niet in Turkije, leerde navraag bij de Turken. Ze vragen Hogewind een lijstje telefoonnummers van Oerlemans te sturen. Misschien kunnen ze de laatste gesprekken achterhalen en zo zijn locatie bepalen. De medewerker van het ministerie mailt: „Hopelijk biedt dit een aanknopingspunt. We proberen echt alles.”

Ondertussen zijn steeds meer mensen aangehaakt bij de kettingmail van James en Nicole. In Turkije weten nu ook buitenlandse journalisten dat twee van hun collega’s vermist zijn. Uit collegialiteit gaan velen hun bronnen na. Er geldt een heldere afspraak: publiceren over de zaak is schadelijk voor de verdwenen journalisten en strikt verboden, vertellen journalisten elkaar. Ook het Nederlandse en Britse ministerie hameren op het publicatieverbod.

Het team van CNN stuit na speurwerk op smokkelaar Dahram die met Oerlemans en Cantlie de grens overstak en zaterdagochtend weg kon komen. Ze spreken hem uitgebreid in Atyam, Syrië. Hoewel het verhaal van Dahram goed zou scoren bij het Amerikaanse publiek, maken ze een verslag van het gesprek dat direct via de mail aan vrienden wordt gestuurd.

Hogewind krijgt de mail met het interview niet veel later onder ogen. Het is een uitgebreid verslag van de gijzeling van de journalisten door jihadisten. Dahram vertelt dat sommige jihadisten eerder hebben gevochten in Libië en dat ze dreigden Oerlemans en Cantlie na het vrijdaggebed te zullen doden. Uit de mail: „Were given only water and dates to eat. Sometimes were handcuffed and allowed to sit to drink and eat.” In grote letters daaronder: this information is not for publication.

Slapen lukt niet meer. Sinds Hogewind de mail heeft gelezen verkeert ze in grote onzekerheid. Het is al laat als ze zich opeens herinnert wat Jeroen haar zo vaak heeft verteld. ‘Mocht ik in problemen raken, schakel dan Joeri in. Hij weet wat hij moet doen.’ Joeri Boom, correspondent voor NRC Handelsblad in India, en Jeroen reisden samen door oorlogsgebieden. Om half twee ’s nachts stuurt Hogewind een mail naar Boom. Als hij de mail leest, besluit hij direct het vliegtuig naar Turkije te nemen.

Woensdag 25 juli

Sinds dinsdagmiddag krijgt Hogewind steeds minder informatie van Buitenlandse Zaken. De mail van CNN stuurt ze ook naar het ministerie. Een betrokken journalist die anoniem wil blijven, belt in de dagen daarvoor meerdere keren met zowel het Nederlandse als het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken. Zo probeert hij druk op de ketel te houden. Vanaf dinsdagavond, zo vertelt hij, „gaan de luiken dicht”. Hij merkt dat de ministeries de zaak serieus behandelen en dat hij niet meer geïnformeerd wordt. Inlichtingendiensten zouden het werk nu overnemen.

Een eerste bewijs daarvan komt wanneer onder journalisten in Turkije het gerucht gaat dat de smokkelaar Dahram van de radar zal verdwijnen. Zijn informatie is essentieel voor het bepalen van de locatie van de gijzeling. Het gerucht lijkt te kloppen: Dahram is dagenlang onvindbaar. Ook op dinsdagavond schakelt Buitenlandse Zaken de KLPD in. Zij zijn vanaf dat moment aanspreekpunt voor de familie. De KLPD heeft veel ervaring met gijzelingszaken.

De zaak is gecompliceerd voor de Nederlandse diplomaten. Er is geen diplomatieke vertegenwoordiging meer in Syrië en het is onduidelijk door wie de journalisten precies worden gegijzeld. Bovendien: in het grensgebied tussen Syrië en Turkije heerst anarchie. De gijzeling valt middenin de vakantieperiode. De hoogste politieke baas van het ministerie, minister Uri Rosenthal, is net die week met vakantie gegaan.

Woensdagochtend om 10.00 uur rinkelt de bel bij de familie Hogewind in Wassenaar. Een Brit en een Duitser van het Britse beveiligingsbureau staan voor de deur. Zij schuiven aan bij Hogewind en vertellen over hun contacten met het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken. Ze denken erover om zelf naar Turkije te gaan. Dat brengt wel een risico met zich mee. Het bedrijf zit aan tafel bij het Britse Foreign Office en beschikt zo over relevante informatie. Gaan ze op eigen houtje naar Turkije, dan zullen de Britten hun dat privilege afpakken.

Als Hogewind die avond wil gaan slapen, gaat de telefoon opnieuw. Het is een journaliste van de NOS in Syrië. Via buitenlandse journalisten horen Nederlanders dat de mannen „ok” zouden zijn. Meer details kan ze niet geven.

Donderdag 26 juli

Om half twaalf in de ochtend schuiven Hogewind, de twee Britse heren en journalist Pieter Klein aan bij het ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Bezuidenhoutseweg. Op het moment dat de vergadering begint, gaat de telefoon van de Brit. Het is Joeri Boom. Hij vertelt over een gerucht dat de twee gevonden zijn en zaterdag vrijgelaten zullen worden. Boom richt zich nu op het bevestigd krijgen van het gerucht en het verkrijgen van een ondubbelzinnig levensteken van Oerlemans.

Ondertussen begint Han Peters zijn verhaal. De afzwaaiende directeur Consulaire Zaken vertelt dat dit één van zijn laatste klussen is en dat hij ambassadeur in Kabul zal worden. Hij zegt een half uur tijd te hebben voor de ontmoeting met Hogewind, Klein en de Britten en herhaalt het standpunt dat Nederland nooit losgeld zal betalen.

De aanwezigen ervaren het gesprek als „ongemakkelijk” en „weinig behulpzaam”. Van tevoren spreken Hogewind, Klein en de Britten af goed te luisteren naar wat Buitenlandse Zaken weet. Ze krijgen geen bruikbare informatie. Als Hogewind doorvraagt naar wat de diplomaten weten, herhalen ze wat CNN heeft opgetekend. Hogewind vraagt ook informatie over het gebied waar haar vriend gevangen zit. Hogewind achteraf: „Het enige inhoudelijke was het doorverwijzen naar de KLPD. Verder was het weinig informatief.” Na afloop is de stemming toch positief: het nieuws van Boom maakt dat Hogewind en de Britten een prettige taxirit hebben terug naar Wassenaar.

De ambtenaren zitten in een lastig parket: ze moeten terughoudend zijn met informatie over hun inspanningen. Als bekend wordt dat Nederlandse overheid zich actief met de zaak bemoeit, vergroot dat de kans op nieuwe gijzelingen en kan dat de situatie van ontvoerde Nederlanders schaden. Maar de zorg voor ongeruste familieleden en vrienden is ook een taak van het ministerie. Uit e-mailverkeer van het Britse Foreign Office in het bezit van deze krant, blijkt dat de Britten veel meer informatie verstrekken over hun bronnen en hun werkwijze. Zo vertellen zij precies wie ze gaan bellen en welke informatie ze hopen te krijgen.

De zaak is complex. Veel journalisten zijn bij de zaak betrokken, terwijl voor Buitenlandse Zaken geldt dat de gijzeling zo lang mogelijk stil moet blijven. Daarbij: er zijn veel eigen initiatieven, van particuliere bedrijven en journalisten, die de inspanningen van het ministerie kunnen doorkruisen. Het belang om deze zaak heel snel op te lossen is erg groot.

Duizenden kilometers verderop is er plots grote ongerustheid bij Joeri Boom. Van een bevriende Australische veiligheidsexpert hoort hij dat een Britse organisatie op het punt staat de journalisten „eruit te halen”. Dat wil je niet, zegt de particuliere veiligheidsman, dat moet je stoppen. Boom belt onmiddellijk met de diplomaat die hem die dagen geregeld gebeld heeft met verzoeken om informatie: een diplomaat van de politieke afdeling van de Nederlandse ambassade in Ankara. Het contact met de man, net vier maanden aan het werk in Turkije, is telkens hetzelfde: Boom vertelt hem de laatste stand van zaken. De diplomaat reageert met: „Ik hoor wat je zegt.” Nu is de situatie anders. De man schrikt als hij Boom spreekt en belooft onmiddellijk het ministerie te verwittigen.

Donderdagmiddag rond 17.00 uur krijgt Hogewind een telefoontje. Het is het Britse Foreign Office. Ze vertellen haar dat Cantlie zojuist zijn vriendin Charlotte heeft gesproken en dat hij en Oerlemans vrij zijn. Hogewind vraagt of de diplomaat zeker weet dat Jeroen ook bij John is. Die bevestigt dat.

Anderhalf uur later belt Jeroen vanuit Antakya, Turkije, met zijn vriendin. Het is het eerste contact na het sms’je, precies een week eerder.

In Nederland werkt een verslaggever van het actualiteitenprogramma Nieuwsuur die avond hard aan een item over de gijzeling. Via Syrische bronnen heeft hij gehoord dat de journalisten vrij zijn. Nieuwsuur wil het graag melden en de journalisten vragen het ministerie of VVD-minister Uri Rosenthal bereid is tot een korte telefonische reactie. Hoewel met vakantie, wordt hij bijgepraat door zijn ambtenaren. Op het allerlaatste moment wordt het item opgenomen in de uitzending. De minister bevestigt dat Oerlemans weer vrij is. Verdere informatie ontbreekt.

Journalisten bij de grens verbazen zich over de uitzending. Is het zeker dat de twee journalisten vrij zijn? De Turkse geheime dienst handhaaft nog steeds een publicatieverbod, dat tot zeker de volgende ochtend duurt. Boom probeert via het netwerk van smokkelaars en sjeiks een dag lang een teken van leven te krijgen van zijn vriend. Er zijn veel geruchten. Via een vriend van smokkelaar Dharam lukt het donderdagmiddag te bellen met iemand die heel dicht bij de ontvoerde journalisten zit.

De afspraak is dat Oerlemans zijn vriendin belt als hij vrij is. Maar het nummer van Hogewind staat opgeslagen in zijn door de jihadi’s afgenomen telefoon, dus belt Cantlie eerst met zijn vrouw. Via verschillende kanalen lukt het Oerlemans later het telefoonnummer van zijn vriendin te achterhalen.

Naar sjeik Abdul Rahim

Het is een bevrijdend telefoontje, maar vrij zijn ze nog niet. Het is nog niet afgelopen. De vier gewapende mannen, die zich gelieerd hebben aan het Vrije Syrische Leger, brengen Oerlemans en Cantlie naar een sjeik, Abdul Rahim, in een dorpje in Syrië. Oerlemans vangt op dat de actie georganiseerd is door sjeik Farwaz, een lokale commandant van het Vrije Syrische Leger. Hij staat in nauw contact met de Turkse geheime dienst. De Turken noemen hem zelfs „our guy”, bevestigen meerdere bronnen. Nog in Syrië gaan Oerlemans en Cantlie langs een noodhospitaal. Ze reizen door naar Antakya, Turkije. Ook daar komen de twee mannen niet vrij: de Syriërs van het Vrije Syrische Leger willen hen in een ‘overgangshuis’ in Reyhanli, Turkije, vasthouden.

Het is ondertussen laat in de avond en Oerlemans belt met Boom met de telefoon van sjeik Farwaz die ook in het overgangshuis is. Oerlemans vertelt dat ze vastgehouden worden en dat ze pas de volgende ochtend overgedragen zullen worden door de Syriërs die graag goede sier willen maken met de vrijlating van de journalisten. Samen met drie anderen, de vrienden van Cantlie en de Australische veiligheidsman, gaat Boom naar het overgangshuis.

Dat leidt tot gedoe over en weer, waarbij de Nederlander, de Britten en de Australiër ongeveer twee uur lang worden vastgehouden. Er wordt gedreigd Oerlemans en Cantlie mee terug te nemen naar Syrië. Als de onduidelijkheid aanhoudt, komen twee Turkse geheim agenten aanscheuren in een luxe bolide. Ook de Turken willen hen hebben.

Bij Nieuwsuur heeft minister Uri Rosenthal dan al verteld dat Oerlemans vrij is. Pas ruim anderhalf uur na de uitzending, het is middernacht in Turkije, lukt het met hulp van een advocaat van de New York Times om de journalisten weg te krijgen.

Na hun vrijlating blijkt dat de Britten iemand in het gebied klaar hebben staan om John Cantlie, desgewenst, op te vangen en te helpen met de eerste verwerking van zaken. Nederland heeft niemand gestuurd. De volgende ochtend arriveren twee consulaire medewerkers. Een van hen vraagt bij het zien van Oerlemans of er ook Hezbollah-strijders in het kamp zaten. „En Iraniërs dan?”

In het huis in Wassenaar is het groot feest. Na een emotionele uitputting van dagen drinkt de familie gulzig van champagne en whisky. Hun Jeroen is veilig en komt snel naar Nederland. Bij thuiskomst bleek Oerlemans een kleine souvenir te hebben meegenomen. Tijdens zijn ontsnapping griste hij sandalen mee van één van de jihadistische strijders.

Hij leverde ze in bij de KLPD. Die onderzoekt de sandalen.