Chinezen vinden sport heus ook leuk

Chinese sporters hebben ons nooit kunnen bekoren. Beelden van jonge huilende turners bevestigden het beeld dat we van de Chinezen hadden: een meedogenloos sportregime met overambitieuze trainers en griezelige methodes.

Het laat de Chinezen niet koud, althans zo lijkt het. Wijzer geworden van Amerikaanse marketingtechnieken schreeuwen Chinese media vier jaar na de Spelen van Peking van de daken dat het Chinese sportsysteem aan het veranderen is. ‘Chinese topsporters mogen nu ook plezier hebben. Zij zijn niet alleen gouddelvers maar ook mensen’, kopte de staatskrant China Daily deze week.

De ommezwaai heeft misschien te maken met de frustratie dat het land naast hordenloper Liu Xiang, basketballer Yao Ming en tennisster Zheng Jie nooit sportkampioenen heeft gehad die over de grens bekend zijn. Wat heb je aan helden als ze niet lachen, niet gelukkig zijn en zich niet kunnen presenteren aan het internationale publiek. Het is geen toeval dat de Chinese atleten nu Engelse les volgen.

De tijden veranderen. China is bezig zich te transformeren van een lagelonen- naar een hightechland. Ook voor de sport geldt dat doorzetten en hard trainen niet meer genoeg zijn voor succes. In 2008 interviewde ik Yu Fen, coach van het schoonspringfenomeen Fu Mingxia, die zei: „Zelfopoffering en discipline liggen verankerd in de volksaard. Maar voor een nieuwe groeispurt zijn ook een wetenschappelijke benadering, talent en spelplezier nodig.”

Helaas. Wat de westerse sportgeschiedenis ons namelijk ook leert, is dat doping in topsport onvermijdelijk is. China ontkomt niet aan die wet. Begin jaren negentig betrapten vliegende dopingbrigades van het IOC Chinese zwemmers op het vliegveld van het Japanse Hiroshima. Ook topatleten die trainden onder de beruchte coach Ma Junren werden ontmaskerd. Om goed voor de dag te komen, besloot China tot een straffe antidopingcampagne in aanloop naar de Spelen: Chinese atleten moesten per se ‘schoon’ zijn.

Of die controles op Chinese sporters nu echt zo streng zijn weten we niet; het land loopt nog altijd niet over van transparantie. Trainingen hebben plaats achter gesloten deuren en gezondheidsethiek heeft nog altijd weinig prioriteit. Chinezen zijn doelgericht, maar vooral pragmatisch. Het maakt niet uit of de kat zwart of wit is, als ie maar muizen vangt. Dat was het parool waarmee leider Deng Xiaoping de basis legde voor de Chinese economische opmars.

Op grond van ervaringen uit het verleden is het niet verbazingwekkend dat er twijfel bestaat over de zuiverheid van de supersonische zwemprestaties van de 16-jarige Ye Shiwen. Toen ik Shiwen zag, moest ik terugdenken aan tafeltennisster Deng Yaping, mijn rivale uit de vorige eeuw. Ze versloeg destijds met gemak mannen uit de wereldtop en werd uitgeroepen tot de beste Chinese atlete aller tijden. Haar succes kwam niet door doping, maar door harde trainingen: vanaf haar vijfde jaar was ze zeven uur per dag bezig met batje en bal.

Totdat het tegendeel bewezen is, houd ik het er voorlopig op dat de Chinezen hun sportprestaties bouwen op hun culturele tradities: taoïstische ademhalings- en meditatietechnieken, uit de martial arts afkomstige explosiviteittrainingen, oorlogsstrategieën uit het boek van generaal Sunzi en hun keiharde trainingsarbeid. Dat laatste nu met behoud van spelplezier, want China heeft kennelijk begrepen dat topsporters tevreden en gelukkige mensen moeten zijn.

Misschien zet de harde Chinese sportcultuur de deur open voor individuele vrijheid. Dat zou een opmerkelijke kentering zijn.

Oud-tafeltennisster Bettine Vriesekoop (50) deed mee aan de Spelen van 1988, 1992 en 1996. Ze was tot 2009 correspondent in China voor NRC Handelsblad en schreef verschillende boeken over het land. Tijdens de Spelen schrijft ze wekelijks een column.