Brieven over jongensbesnijdenis

Geen feest bij besnijden aan de lopende band

Er is veel te doen rondom de besnijdenis van jongens (Opinie&Debat, 28 juli). Ik kan me vinden in het ontmoedigingsbeleid van de artsenorganisatie KNMG, eens te meer toen ik nog eens terugdacht aan mijn eerste ontmoeting met het ritueel.

Ik loop achter de jonge islamitische chirurg in wording aan langs een lange rij zwart gesluierde moeders. Met jonge baby’s op hun arm staan ze in de drukkende warmte geduldig te wachten. We lopen een bedompte donkere kamer binnen van het vervallen academisch ziekenhuis. De moeder kleedt de baby uit en geeft hem aan een zuster, die hem voor de dokter op de tafel vasthoudt. De dokter pakt de voorhuid van het piemeltje vast en duwt deze zo ver mogelijk naar achteren (baby huilt). De voorhuid wordt zo hoog mogelijk opgetrokken (baby huilt harder). Een scherpe klem wordt zo laag mogelijk op de voorhuid net boven de eikel gezet (baby gilt). Met een mes wordt de voorhuid in een vloeiende beweging over de klem afgenomen en in de afvalbak gedeponeerd (baby krijst). De dokter legt klem, mes en pincet in een spoelbakje. Om het minuscule bloedende piemeltje wordt een gaasje gestrikt.

Moeder verlaat gelukzalig met het ontroostbaar krijsende kind de kamer, het bijbehorende religieuze feest tegemoet. Ondertussen ligt de volgende klaar. Een ruim uur en dertig baby’s verder verlaat ik licht onpasselijk de zaal.

Susanne van der Velde

Chirurg in opleiding, liep in 2001 medische stage chirurgie in Egypte

Besnijdenis kun je niet zomaar afschaffen

Het commentaar over jongensbesnijdenis (Opinie&Debat, 28 juli) stelt dat het besnijdenisritueel „op gespannen voet staat met hedendaagse inzichten over geneeskunde en grondrechten”.

Maar om te beginnen is er, anders dan ook het KNMG-rapport suggereert, bewijs dat jongensbesnijdenis medisch gezien juist meer voordelen dan risico’s oplevert, zelfs in westerse landen. Onlangs nog concludeerden onderzoekers dat ook in ontwikkelde landen jongensbesnijdenis een ‘low-risk, highly beneficial procedure’ is en aanbeveling bij verantwoordelijke ouders verdient.

Ten tweede is het principieel onmogelijk om uit grondrechten simpelweg praktische maatregelen af te leiden, terwijl het regelmatig voorkomt dat de verschillende grondrechten elkaar in concrete situaties in de weg zitten. Dat is nu het geval bij de grondrechten op godsdienstvrijheid, op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en op de lichamelijke integriteit. Daarom zullen onvermijdelijk ook toevallige voorkeuren, belangen en bestaande praktijken een rol spelen, ook al willen deskundigen, politici en betrokkenen dat niet graag toegeven.

Interventie in de vrijheid van het maken van deze afweging door de ouders zou alleen gerechtvaardigd zijn als de balans duidelijk uitslaat contra jongensbesnijdenis. Dit is niet het geval, ook al meent de hoofdredactie uit gebrekkige kennis en tekortschietend inzicht in de complexe aard van dit soort keuzes van wel.

Machiel Keestra

Wetenschapsfilosoof bij het Instituut voor Interdisciplinaire Studies van de Universiteit van Amsterdam