Catwalk van kunstwerkjes

Meer dan een miljard mensen kijken naar de Spelen. En dat weten sponsoren en sporters. Redacteur Thijs Zonneveld merkt dat topsporters schoonheidsidealen zijn geworden, de Spelen een catwalk.

Canadese zwemster Julia Wilkinson Foto Reuters

In Londen is de grootste freakshow van de wereld bezig. Ze noemen het de Olympische Spelen en je kunt er alleen maar aan meedoen als je lichaam iets heeft dat 99,99999999 procent van de wereldbevolking niet heeft. Iets uitzonderlijks, iets excessiefs.

Extra grote handen.

Enorme voeten.

Paardenlongen.

Klapkuiten.

Turbodijen.

Biceps maatje XXXXXL.

Ruggenwervels van elastiek.

Zwemvliezen.

Een nek à la Rambo.

Usain Bolt heeft benen van elastiek, Oscar Pistorius rent met onderbenen van carbon, Caster Semenya moest een hormoonbehandeling ondergaan omdat ze niet vrouw genoeg was en Marianne Vos eet brommers bij haar ontbijt.

De rest van de wereld kijkt naar de freaks. Niet lachend en wijzend – zoals vroeger op de dorpskermis, maar kwijlend. Topsporters zijn schoonheidsidealen geworden. Hun lichamen worden tentoongesteld en aanbeden.

Topsporters zijn helden geworden, niet alleen om wat ze doen – maar ook om hoe ze eruit zien. Ze zijn op gelijke hoogte gekomen met popsterren, acteurs, actrices en supermodellen. David Beckham is ondertussen meer icoon dan sportman, Yelena Isenbayeva is sekssymbool slash polsstokhoogspringster en de Amerikaanse basketballers kunnen niet zonder vermomming over straat.

Zelfs de Britse wielrenner Bradley Wiggins – rossige bakkebaarden, benen als kachelpijpen – vindt slipjes in de brievenbus. Hij verbaasde zich eerder deze week over zijn status als held: „Ik heb een hekel aan die cultuur van heldenverering, maar het wordt alleen maar erger. Nou ja, ik kan tenminste zeggen dat mensen me een held vinden omdat ik iets heb gepresteerd. Dat kan ik van sommige andere beroemdheden in Engeland niet zeggen.”

Een deel van de aandacht komt door de toegenomen mediatisering van sport. Er staan honderden camera’s gericht op sporters, de kijkcijfers voor sportwedstrijden nemen wereldwijd jaar na jaar toe. Naar schatting kijken meer dan een miljard mensen naar de Spelen.

Al die camera’s, al die kijkers en al die aandacht hebben ook een uitwerking op de sporters zelf. Ze zijn zich er steeds meer van bewust dat de rest van de wereld meegluurt, en daar passen ze hun uiterlijk op aan. Een laagje mascara. Lippenstift. Gel in de haren. Een bijpassende zonnebril. Oorbellen. Een tatoeage.

Vijftien jaar geleden (vóór de goldrush van Inge de Bruijn met haar lange nagels) zei een oud-zwemster nog dat meisjes met nagellak geen gouden medailles behalen; tegenwoordig is die opmerking compleet achterhaald. Vrijwel alle zwemsters (ook Ranomi Kromowidjojo) glijden door het bad met kunstwerkjes op hun nagels: de kleuren van hun land, de nationale vlag, de olympische ringen of de afbeelding van de medaille die ze hopen te halen. Bij de atletes en de kanovaarsters is het niet veel anders.

De aandacht voor uiterlijk is de afgelopen jaren sterk toegenomen. De Spelen zijn een catwalk geworden. Mode is niet meer weg te denken. De trainingspakken (u weet wel, die dingen die vroeger gewoon bij de dichtstbijzijnde Zeeman werden opgehaald) van het Italiaanse team worden ontworpen door Armani, die van de Britten door Stella McCartney. Als de Amerikaanse zwemmer Ryan Lochte niet in het water ligt, loopt hij rond met speciaal voor hem gemaakte sportschoenen – op de zool staat Lochte, op de achterkant Jeah.

De mannelijke sporters zoeken het in tatoeages, zonnebrillen en kinky schoenen; de vrouwen trekken nog veel meer uit de kast. Ze vlechten touwtjes met allerlei kleurtjes in hun haar, ze piercen hun navel en ze vertonen zich niet zonder mascara en lippenstift. Als het mogelijk is, lopen ze rond in minuscule topjes en slipjes.

De beachvolleybalsters zijn het beste voorbeeld: de vrouwen spelen daar in onderbroekjes ter grootte van een postzegel. Aanvankelijk waren bikini’s verplicht, maar een regelwijziging die de kledingkeuze vrij liet heeft niets veranderd: beachvolleybalsters spelen nog steeds in postzegelbroekjes. Ze willen hun lichaam tonen. Net als de Nederlandse hockeyvrouwen die als supermodellen de ene na de andere sexy fotoshoot afwerken, net als de Duitse atletes die de Duitse Playboy deze maand sieren. En dat doen ze niet voor niets.

Het is misschien oneerlijk, maar sporters (vooral de vrouwelijke) krijgen over het algemeen meer betaald als ze mooi zijn en met hun lijf pronken. Je moet jezelf een beetje verkopen. Sponsoren willen nu eenmaal liever een promo met een prachtige hockeydame dan met een kogelstootster van honderd kilo. Sommige geldschieters eísen zelfs aandacht voor uiterlijkheden – niet voor niets rennen de atleten rond in fluorescerende Nikes en fietst de helft van het wielerpeloton op knaloranje Specialized-tweewielers. Wie betaalt, die bepaalt nu eenmaal.

Af en toe is de verhouding tussen prestaties en uiterlijk helemaal zoek. Het beste voorbeeld is wellicht Anna Koernikova, de tennissende seksbom die jarenlang de lijst van beste betaalde vrouwelijke sporters aanvoerde, maar nooit een toernooi won. De huidige nummer één van best betaalde vrouwelijke atletes, de Russische schone Maria Sjarapova, is overigens een kopie van Koernikova – het enige verschil is dat zij het ook óp de baan laat zien.

Soms willen sporters zichzelf wel meer in de etalage zetten, maar zitten ze gevangen binnen de grenzen van hun eigen sport. Bij turnen zijn laknageltjes en oorbellen verboden, bij schermen zie je niet wie er in dat pak zit en bij taekwondo is hoofd- en gezichtsbescherming verplicht. Dat kan knap lullig zijn.

Neem de gouden waterpoloploeg van vier jaar geleden. Die vrouwen brachten heel Nederland in vervoering, maar de doorsnee Nederlander weet zich niet één waterpolovrouw meer te herinneren – laat staan te herkennen. Die waterpolocapjes en die grote badpakken waren nu eenmaal niet heel charmant. Mede daardoor is het waterpologoud niet verzilverd in geld of aandacht.

Hoe anders is dat bij de hockeyvrouwen: Naomi van As & co worden wél herkend en krijgen wél sponsordeals. Fatima Moreira de Melo werd BN’er met haar combinatie van uiterlijk en prestaties. Ter illustratie: in 2007 werd ze door Mokkels.nl verkozen tot Babe of the Year, in 2008 won ze olympisch hockeygoud, daarnaast schitterde ze in reclames, soaps en bracht ze een cd uit.

In topsport draait alles om opvallen, binnen de lijnen én daarbuiten. Sporters worden publieke figuren. Ze worden niet alleen meer afgerekend op hun prestaties, maar ook op hoe ze overkomen. Het is inherent aan de mediatisering en professionalisering van topsport. Op de Spelen presenteren de freaks zich aan de toeschouwers, aan de tv-kijkers, aan potentiële sponsoren – kijk mij, dit ben ik. Gelijk hebben ze.

Het oog wil ook wat.