Wildbreiende rolstoellifter

Mijn broer heeft een handicap, ik ga daar bijna nooit op bezoek. Ik gooi dat altijd op ‘tijdgebrek’ en ‘reisafstand’, maar het schuldgevoel knaagt. Ik dacht dat gisteren even te stillen door de goede mens uit te hangen.

Op weg naar de bioscoop belandde ik in een wolwinkel die Weldraad heet. Het was opeens keihard gaan regenen en deur van de winkel stond open, vandaar. De eigenaresse droeg een zelfgebreide trui.

Achterin de zaak zat een mevrouw in een rolstoel, het was de enige deelneemster aan een workshop breien. Op tafel lag het boek Zo brei ik sokken.

Beide dames keken terug op een fijne cursusavond, hoewel twee uur misschien wat aan de lange kant was geweest.

De mevrouw in de rolstoel hield een rood bolletje omhoog.

„Zelf gebreid!”

Ik vond het niet echt knap, maar nadat er was gezegd dat het een lavendelbloempje voorstelde en de cursusleidster eraan toevoegde dat het pas de eerste les was geweest, dacht ik daar al anders over.

De mevrouw in de rolstoel vroeg of ik haar even naar huis wilde duwen, het was vlakbij. Onderweg vertelde ze dat ze ‘rolstoellifter’ was. Rolstoellifters waren mensen in een rolstoel die geen scootmobiel hadden, omdat ze ervan uitgingen dat ze altijd wel iemand tegenkwamen die bereid was om te duwen.

Mensen zoals ik dus.

In het begin was het best gezellig, maar na tien minuten begon ik me toch af te vragen hoe dichtbij ‘vlakbij’ was.

Naast ‘rolstoellifter’ was mevrouw ook ‘wildbreier’. Wildbreiers hangen zelfgebreide lappen in bomen en lantaarnpalen. Ze wees naar een boom waarin een van haar lapjes hing. Daarvan dacht ik: hoe heb je dat gedaan dan?

Nadat ze had ontdekt dat ik stukjes schreef volgde een klaagzang over een Nijmeegse professor die vermoeidheidsklachten van ME-patiënten niet serieus zou nemen. Ze was toevallig zelf ME-patiënt en die professor mocht wat haar betreft aan de hoogste boom. Ze strooide met gegevens uit onderzoeken, die ik allemaal moest doornemen.

Ik betrapte mezelf op de volgende gedachten:

- Wanneer zijn we er eindelijk?

- Ik wil naar de film.

- Je mag je haren weleens wassen.

- Hou nou eens je mond.

Ik informeerde of we al bijna waren. Ze antwoordde dat we haar huis al lang waren gepasseerd. Daarna: „Nog een rondje!”

De resterende tijd werd gevuld met een klaagzang op familie en vrienden, die waren afgehaakt. Bij haar huis stapte ze uit de rolstoel. Ze beklom het trapje naar de voordeur en gaf me de opdracht de rolstoel in te klappen en in het schuurtje te stallen. Binnen moest ze nog drie trappen op, maar dat kon ze zelf.

Ik bleef achter met een dubbel gevoel. Je moet natuurlijk iedereen helpen, maar voor rolstoellifters met een breiverslaving moet je oppassen.