‘We rijden keihard op een muur af’

John Lanchester maakte naam met non-fictie én een roman over de financiële crisis. Over onze financiële toekomst is hij somber. Adviezen: ‘Zet vraagtekens bij je verlangens’. En ‘overweeg de risico’s bij het afsluiten van een hypotheek.’

John Lanchester: „Nog te weinig mensen zien dat de financiële sector een wezenlijke bedreiging vormt.” Foto Roger Cremers

ls kind was de Britse schrijver John Lanchester (1962) doodsbang voor geldautomaten. In Whoops!, zijn succesvolle boekje over de economische crisis uit 2010, beschrijft hij hoe hij in paniek raakte als hij zijn vader zag pinnen: ‘Het gemak waarmee de pinautomaat haar contanten ophoestte, en de uitnodiging om er meteen maar mee op uit te gaan en ze uit te geven, leek vreselijk roekeloos. Daar stond mijn vader bars zijn pincode in te tikken terwijl ik aan zijn arm hing en hem smeekte ermee op te houden.’

De scène leest als aangedikt, maar in een Amsterdams hotel bezweert de schrijver dat het waar is. „Je wist nooit of je pasje niet zou worden opgeslokt door die mond in de muur. Ik vond het onnatuurlijk. Echt eng.”

De meeste kinderen geloven in luilekkerland. Maar in de kleine Lanchester, zoon van een bankemployee, moet een calvinistje hebben gescholen dat ondergang zag in overvloed. Het jongetje dat bang was voor pinautomaten is uitgegroeid tot een lange Brit, behept met de voor zijn land spreekwoordelijke verlegenheid en gereserveerdheid.

John Lanchester werd journalist en schreef voor The Guardian en Esquire. Hij maakte naam met restaurantkritieken waarin hij geestige vraagtekens zette bij pretentieus uitgemeten luxe. Zijn debuutroman, The Debt to Pleasure, ging over een culinair expert, wiens snobisme een dodelijke bestaansangst moet verhullen. Daarna schreef Lanchester nog twee romans en een memoir over zijn ouders, maar hij viel pas echt op met Whoops!, waarin hij wat toen nog de kredietcrisis heette, beeldend uitlegt. Hij stelt zich op als de geestige economieleraar die je altijd had willen hebben. Sindsdien geldt Lanchester als de romanschrijver met economie als handelsmerk, en doet hij er met regelmatige artikelen in The New Yorker en de New York Review of Books alles aan om dat te blijven.

Toch was Whoops! niet meer dan een uitstapje, een zijspoor van de dikke roman waar hij al die tijd aan werkte. Dat boek, Capital, verscheen afgelopen voorjaar en is nadrukkelijk onthaald als het verhaal van Londen anno nu. Het speelt zich af onder de bewoners van één straat, Pepys Road, genoemd naar de beroemde chroniqueur van het 17de-eeuwse Londen) en de mensen die er werken. Van het bankiersgezin van Roger Yount tot de Poolse bouwvakker Zbigniew en de Zimbabwaanse politicologe Quentina die er parkeerwacht is. Losjes verbindt Lanchester de bewoners van Pepys Road met elkaar – vooral door het uit de doeken doen van hun financiële transacties – en fijntjes tekent hij hun karakters – vooral hun gefrustreerde verlangens.

De proloog van Capital gaat over de enorme waardestijging van de huizen aan Pepys Road. Ook eerder schreef u over de Britse obsessie voor koophuizen. Wat is het belang van al dat vastgoed?

„Ik heb Capital nooit opgezet als een roman over de huizenprijzen, maar dat werd het wel. Britten en vooral Londenaren zijn geobsedeerd door de vraag in welke wijk je woont, waar je wilt wonen en hoe je huis eruit ziet na de laatste verbouwing. Ga naar een middenklasse-etentje in Londen en het gaat nergens anders over. Op de een of andere manier lijken status, zelfbeeld, hypotheek en adres in Engeland meer synoniem dan in andere culturen.”

Hoe verklaart u dat?

„Londen is altijd een geldstad geweest, gebouwd op golven van speculatie, van boom en bust. Daar wilde ik over schrijven, een Big Fat Londen Novel, waarin de onderliggende economische structuren aan bod komen. Maar ik wilde ook gewoon schrijven over wat ik uit mijn raam zag. Zoals de meeste schrijvers kijk ik heel veel uit het raam, en in de vijftien jaar dat ik in mijn doorsnee straat in Londen woon, heb ik gezien hoe het geld binnenkwam. Opeens sloeg iedereen aan het verbouwen. Kelders werden uitgegraven, dakkapellen erop gezet, er stonden altijd van die containers in de straat voor het verbouwingsafval.

„De lagere middenklasse komt in mijn boek niet voor, omdat ik die zag vertrekken naar andere wijken – ze kozen ervoor hun huis te verzilveren. Wat overbleef waren de rijkeren plus de onderklasse die de verbouwingen kwam doen, de parkeerbonnen kwam controleren, de internetaankopen kwam bezorgen.

„Mijn boek zou toewerken naar de crash, die de lezers natuurlijk zagen aankomen, maar mijn personages niet. Maar terwijl ik schreef, ging het helemaal de andere kant op. De prijzen van Londens vastgoed zijn compleet door het dak gegaan vanwege de kapitaalvlucht uit Zuid-Europa. Nog even en Londenaren kunnen helemaal niet meer in Londen wonen.”

Waarom schreef u Whoops?

„Omdat ik Capital in een la stopte. Dat doe ik altijd met mijn boeken. Als ze af zijn, stop ik ze weg en kijk er pas weer na een paar maanden naar, omdat schrijven en redigeren nu eenmaal twee heel verschillende dingen zijn. In die tussenliggende maanden wil ik dan iets constructiefs doen, maar meestal verlummel ik die tijd.

„Dit keer wilde ik dat voorkomen en wilde ik meer weten over het onderwerp waarin ik me voor Capital was gaan verdiepen, een onderwerp dat me zo was gaan fascineren dat ik me er als schrijver ook tegen moest beschermen. Ik moest het als het ware in quarantaine stoppen opdat ik het niet in mijn roman zou gebruiken. Ik bedoel: Nigel probeerde zich uit alle macht de definitie van een Credit Default Swap te herinneren, zoiets kán gewoon niet. ”

In Whoops! bent u boos, in Capital mild.

„Ik werd bozer. Ik schreef Whoops! dus na Capital, ik schreef het vrij snel en toen ik eraan begon dacht ik nog dat dingen zouden veranderen, dat de financiële elite zou worden beteugeld en dat er serieus zou worden nagedacht over minder gevaarlijke vormen van kapitalisme. Maar tegen de tijd dat ik het af had, begreep ik dat dat niet ging gebeuren.

„Toen werd ik dus bozer en gek genoeg dacht ik dat iederéén bozer zou worden. Maar het vreemde is dat dat helemaal niet gebeurd is. Nog te weinig gewone mensen zien in dat de financiële sector een wezenlijke bedreiging vormt. Door Londen beweegt in de derivatenmarkt dagelijks drie biljoen pond. En ons Bruto Nationaal Product is 2,3 biljoen. Dat is buitengewoon gevaarlijk.”

„En we staan pas aan het begin vrees ik. De status quo is op geen enkele manier houdbaar. De financiële sector heeft regeringen volkomen in de tang. En dan moeten regeringen in Europa ook nog eens op één lijn zien te komen. Met democratie heeft het niets meer te maken. Griekenland is wat dat betreft een mooie metafoor: in dat land is niet alleen de democratie, maar vooral ook de tragedie uitgevonden.”

In het Nederlands betekent debt, financiële schuld, hetzelfde als guilt, morele schuld. Dat moet u haast wel plezier doen.

„Ja, dat weet ik, door de vertaling van mijn eerste boek, The Debt to Pleasure. De Britse houding jegens schuld is enorm veranderd. Schuld gold in de meeste religieuze en maatschappelijke systemen als een zonde. Een van de handigste ingrepen van de financiële industrie was het woord schuld veranderen in krediet en er was niks meer aan de hand.”

Vindt u dat verkeerd? Moet kapitalisme een duidelijke morele dimensie hebben?

„Jazeker, net als iedere andere vorm van menselijke activiteit. Wel vraag ik me af of die morele dimensie de vorm van guilt moet hebben. Ik ben voor een meer boeddhistische benadering, voor aandacht, of, met een modewoord, ‘mindfulness’, als het om de moraal van geld gaat. De meeste mensen nemen een hypotheek als ze een huis kopen. Niks mis mee, ze hoeven zich niet schuldig te voelen. Maar is het geen goed idee om grondig na te denken over de noodzaak van zo’n hypotheek, over de risico’s en consequenties op lange termijn? ”

Is er zoiets als de psychologie van het kapitalisme? Verandert het economisch systeem waarin je leeft je bedrading?

„De twee klassieke eigenschappen die sinds Dickens met kapitalisme worden geassocieerd, zijn angst en gierigheid. Maar de eigenschap die mij het meest opvalt is het tegenovergestelde van de bewuste aandacht waar ik het net over had. En dat is obliviousness, onachtzaamheid. Mensen ervaren te veel als vanzelfsprekend. Ze realiseren zich niet dat we met 100 km per uur op een muur af rijden. We leven op krediet, op grote en op kleine schaal. We zetten te weinig vraagtekens bij onze verlangens.

„Veel economie draait om onzin, om positional goods, statusspullen, een erg effectieve term die ik helaas nog niet kende toen ik het boek schreef. Arabella Yount, de vrouw van bankier Roger uit mijn boek, kan er niet buiten."

De meeste bankiers in recente romans, zoals A week in December van Sebastian Faulks of Union Atlantic van Adam Haslett, zijn slechteriken. Die van u niet. In de hoofdstukken met Roger, hoogtepunten van Capital, beschrijft u hem met mededogen.

„Het is niet moeilijk om in Roger je eigen zwakheid te herkennen. Hij heeft niet de kracht zich ergens aan te onttrekken. Het zaad van Roger werd in mij gezaaid toen ik eraan dacht hoe het zou zijn om een miljoen pond als bonus te krijgen, een paar jaar achtereen. Ik denk dat je er verdomd snel aan gewend raakt. Je gaat het nodig hebben. En als je naar je vrienden kijkt, is het niet eens zoveel geld.”

Rogers vrouw Arabella, de compulsieve consumente, is venijniger geschilderd.

„Ja iedereen heeft een hekel aan Arabella. Terwijl ik dacht dat mensen haar zouden vergeven omdat ze de gave heeft het leven zo ontzettend makkelijk te nemen. Ook wilde ik heel graag een personage dat zich niks realiseert, dat niet de minste wens heeft zichzelf te veranderen. De meeste mensen lukt het niet, echt iets te veranderen. Meestal is het veel makkelijker gewoon iemand anders de schuld te geven.”

Heeft u de Poolse bouwvakker, de Hongaarse au pair en de Zimbabwaanse parkeerwacht sympathieker gemaakt dan het bankiersechtpaar? Dat verwijt men u.

„Ik geloof zelf toch echt van niet. Wel is hun houding ten aanzien van geld realistischer, misschien dat dit mensen aanspreekt. Voor hen is geld nog nodig voor waar het oorspronkelijk voor bedoeld was: het opbouwen van een bestaan. Voor Roger en Arabella heeft geld vooral met status te maken.”

U heeft het vaak over moneyspeak. De taal van geld. Het is waar dat er twee werelden zijn, die van het geld en de gewone wereld. Maar zijn er ook twee talen?

„Jazeker. Dat gevoel heb ik – dat ik geld heb leren spreken. Zo leer je die parallelle wereld kennen. Als je er niet werkt, heb je er weinig te zoeken en zie je snel de absurditeit ervan in.”

Hoe kan het dat er zo weinig blijk is van schaamte in de bancaire sector?

„Het is veel erger: men voelt zich gekwetst en onterecht aangevallen. Misschien komt dat voort uit verdediging, men sluit de gelederen. Privé voelen bankiers zich misschien ongemakkelijk over dat wat ze verdienen. Maar publiek verkeren ze in een wereld die hun onverantwoordelijke gedrag uitlokt, beloont en bevestigt. Ze zijn loyaal aan elkaar, niet aan de rest van de maatschappij.”

Hoe ziet u de toekomst?

„Als we opgroeien, geloven we dat we de dingen kunnen veranderen. Maar dit kunnen we niet veranderen, tenminste niet op individueel niveau, misschien alleen met collectieve actie. We moeten gedaan krijgen dat de financiële sector aan banden wordt gelegd. De aloude Tobin Tax (kleine belasting op valutatransacties, red.) is een uitstekend idee, die zouden we mondiaal moeten invoeren. En zo zijn er nog meer goede ideeën.”

Bent u nog wel eens bang voor geldautomaten? De kans is groter geworden dat daar opeens niks meer uitkomt.

„Angst voor de pinautomaat zou niet gek moeten zijn. Denk eens aan het immense vertrouwen dat gepaard gaat met het financiële systeem, aan de complexiteit ervan waar ons hele leven op gebouwd is! Dat bedoel ik met onachtzaamheid. Mensen gaan ervan uit dat het allemaal in orde is. Maar de kans op een crash van het financiële systeem is echt veel groter dan de kans op een terroristische aanslag.”