'Voor de race praat ik mezelf de put in'

Vandaag beginnen in Londen de atletiekwedstrijden. Robert Lathouwers loopt maandag de 800 meter. Hij maakte de voorbije jaren reuzensprongen.

Krachtige, lange passen. Het lichaam recht, de borst vooruit. 1 meter 91 lang, 75 kilo zwaar. Robert Lathouwers lijkt een reus vergeleken met zijn concurrenten op de 800 meter. De lange benen jagen soepel over de sintelbaan. Hij heeft dynamiet in zijn benen: als hij fit is, vlamt hij in de laatste honderd meter. Dan vliegt hij over zijn tegenstanders heen.

Er staan op het moment dat het moet, dat is het grote talent van Robert Lathouwers (29). Vier jaar lang presteerde hij bijna niets, door blessureleed liep hij geen serieuze wedstrijden. Maar opeens was hij daar, eind mei in Hengelo. Vanuit het niets liep hij de olympische limiet op de 800 meter. Vier jaar geleden plaatste de Rotterdammer zich ook al onverwachts voor de Spelen, in zijn vierde 800 meter ooit, terwijl enkele weken daarvoor nog de enkelbanden van zijn rechtervoet waren afgescheurd. Op eenduizendste van een seconde werd hij uitgeschakeld voor de halve finales.

Na Peking modderde Lathouwers drie jaar aan. Oorzaak was een stressfactuur aan zijn rechtervoet. Begin vorig jaar is hij geopereerd, de problemen zijn verholpen. Dat hij terug is, liet hij eind juni zien bij de EK atletiek in Helsinki, waar hij zesde werd. Komende maandag komt Lathouwers, die in het verleden werkte als model en als vipchauffeur, in actie op de Spelen in Londen. Hij moet zich eerst in de series proberen te plaatsen voor de halve finales. Gisteren arriveerde hij in het olympisch dorp. Waarschijnlijk wordt dit zijn laatste grote toernooi.

Voor wedstrijden praat je jezelf de afgrond in. Waarom?

„Ik ben het tegenovergestelde van het ‘tsjakka’ van Emile Ratelband. Ik ben een keer uitgebreid getest door een psychologe, en daar kwam uit dat ik een doemdenker ben. Voor de race praat ik mezelf de put in. Ik heb zoiets van: ‘Shit, ik loop tegen die, die en die. En ik moet tweede worden, dat gaat nooit lukken. Oh fuck, mijn benen voelen zwaar, ik voel de verzuring nu al. Hoe haal ik überhaupt de 800 meter? Ik hoop dat ik geen laatste word. Ik ga de halve finale van de Spelen niet halen’. Daar ben ik dan bijna helemaal van overtuigd. Door die angst krijg ik adrenaline, waardoor ik volle bak opgepompt ben voor de start. Dan gaat het startschot, en is alles weg. Ik speel geen spelletje met mezelf, het gebeurt automatisch voor iedere race. Toen ik pupil was had ik dit ook al. Ik ben bang om te falen. Alle gevolgen beeld ik me ook in: in Hengelo kwam in mei heel mijn familie kijken en dacht ik: o jee, ik ga verliezen, en dan zullen ze allemaal kijken, wat zullen ze wel niet denken? Maar het ging supergoed. Hoe meer druk, hoe beter het gaat.”

Heb je wel zelfvertrouwen voor races?

„Totaal niet. Maar op het moment dat het startschot klinkt, is dat doembeeld helemaal weg. Die spanningsopbouw heb ik nodig. Ik ben heel zenuwachtig, op de wedstrijddag krijg ik geen hap naar binnen.”

Je wordt een avontuurlijke atleet genoemd.

„Ja, ik hou van extreme sporten. Vroeger heb ik veel aan klimmen, wildwaterkano en downhill fietsen gedaan, en ik ben snowboardleraar geweest. Ik rij op een motor, die kan 306 kilometer per uur, en dan wil ik dat testen. Ik zoek mijn grenzen op.”

Is de 800 meter dan niet te saai voor jou?

„Ik moet mezelf inhouden, ik leef braver dan ik zou willen.”

Hoe kan het dat je er altijd staat op het moment dat het moet?

„Heel simpel: ik heb veel talent. Ik heb veel ups en downs gehad, er is altijd iets. Als ik geen lichamelijke problemen heb, dan sta ik er. Ik heb het talent om in korte tijd mijn lichaam zo klaar te stomen dat ik snelheid en conditie heb.”

Een medaille in Londen lijkt uitgesloten: de Kenianen domineren de 800 meter. Is het frustrerend dat je nooit van hen wint?

„Ja, maar ik leg me erbij neer. Ik stel mijn eigen doel: minimaal de halve finales halen. Een medaille is onrealistisch. Zij hebben hardloopgenen: als zij top zijn, doe je daar als blanke Europeaan vrij weinig tegen.”

Na Londen stop je waarschijnlijk.

„Bij de Spelen in 2016 ben ik 33. En financieel ga ik het niet redden, ik verdien geen cent met atletiek, en een van mijn sponsors stopt na deze Spelen. Ik leef van een buffer van mijn eigen bedrijf: in de winter geef ik atletiekclinics op basisscholen in Rotterdam. Ik werk me het schompes om in de zomer mijn atletiekhobby te kunnen bekostigen. Met zo’n 1.500 euro per maand zou ik heel ver komen. Als er geen financiële ondersteuning komt, dan is het einde topsportcarrière.”

Je traint vrij weinig en kort. Waarom?

„Ik ben van nature een sprinter. Ik moet het van explosiviteit hebben, niet van duurvermogen. Ik train veertig tot vijftig kilometer per week, mijn concurrenten tussen de honderd en tweehonderd. Voor mijn tegenstanders is het makkelijker in drie dagen drie wedstrijden door te komen, omdat hun conditie beter is, en het herstel sneller. Als ik 150 kilometer per week zou trainen, raak ik geblesseerd, mijn lichaam is daar niet voor gebouwd. En ik zou mijn snelheid verliezen als ik veel train.”

In 2007 heb je je van 400-meterloper omgeschoold tot 800-meterspecialist. Hoe ziet jouw perfecte race eruit?

„Ik start snel, dat zit in mijn sprintgenen. Na 100 meter lig ik bijna altijd op kop. Daarna laat ik me iets inzakken, omdat ik niet op kop wil blijven lopen, dat kost energie. Tot 700 meter loop ik achter iemand aan. Dan spaar ik me zo veel mogelijk voor de laatste 100 meter. Daar moet ik voordeel hebben van mijn sprintcapaciteit. De perfecte race heb ik nog nooit gelopen.”

Wat drijft je aan topsport te doen?

„De verslaving van het winnen, de verslaving van het verbeteren. De adrenaline, jezelf bewijzen. Als ik aan de start sta, wil ik knallen, iedereen eruit lopen. En ik doe heel mijn leven al bijna niets anders, ik weet ook niet beter.”

Kun je afstand nemen van sport?

„Ik ben niet wekenlang geobsedeerd bezig met de Spelen. Veel mensen vinden dat ik dat wel moet doen. Er zijn veel atletiekfreaks, maar ik heb ook nog een leven naast de sport. Ik kan eten wat ik wil, zelfs met af en toe een menu bij de Burger King zit ik op vijf procent vet – minder vet is zelfs gevaarlijk. Je hebt atleten die ieder grammetje rijst afwegen. Ik heb zoiets van: joh, wat maakt het allemaal uit. Laatst was het dertig graden, toen heb ik na de training een paar uur op het strand gelegen. Veel mensen zeggen dan: hij heeft er niet alles voor over. Maar voor mij zou het juist niet werken om binnen te zitten. Daar word ik loom en duf van. Ik krijg energie van de zon en andere leuke dingen doen. Onlangs heb ik in Rotterdam gereden op skeelers, je had de reacties op mijn Facebookpagina moeten zien. Voor mij werkt dat, gewoon relaxed, alles niet te serieus nemen. Het is belangrijker dat ik goed in mijn vel zit, dan train ik veel beter. Ik denk dat ik juist een paar procent pak door zo te leven.”