Turkije is panisch, want de Koerden profiteren van de chaos in Syrië

Assad zit nog stevig in het zadel maar zijn land wordt al opgedeeld. De voorlopige winnaar van de strijd: de stateloze Koerden in het noorden van Syrië. Hun streven naar een eigen staat bedreigt de hele regio.

De grensposten vielen als dominostenen. Jarablus, Abu Kamal, Bab al-Hawa, de poorten van Syrië naar de regio, dwars op eeuwenoude handelsroutes. Ze werden in de afgelopen twee weken een voor een verlaten door het regeringsleger van Syrië, dat alle hens aan dek wil in de strijd tegen het verzet in de tweede stad Aleppo.

De televisiezenders in buurland Turkije meldden het nieuws aanvankelijk met enthousiasme in rode en gele schermbalken. Al ruim tien maanden roept de regering in Ankara om het aftreden van president Bashar al-Assad en geeft het heimelijk steun aan de Syrische oppositie en de gewapende tak, het Vrije Syrische Leger. Eindelijk was er vooruitgang in een hopeloos ogende strijd.

Maar in Turkije daagt het besef dat niet alleen de sunnitische strijders van het Vrije Syrische Leger hebben geprofiteerd van de paniek van het regeringsleger. In het noorden van Syrië wappert nu ook de rood-geel-groene vlag van het enige volk dat na de Eerste Wereldoorlog geen staat kreeg toebedeeld en verspreid woont over Turkije, Iran, Irak en Syrië: de Koerden.

In steden als Kobane, Afrin, Amude, Derik en Derbasiye (zoals de plaatsen in het Koerdisch worden genoemd) is geen soldaat van het regeringsleger meer te bekennen. Wegversperringen worden nu bemand door Koerdische strijders. Het gemeentehuis is ingepakt in de kleuren van de Koerdische vlag.

De beelden veroorzaken grote paniek aan de andere kant van de grens, in het machtscentrum van Turkije. In Turkije wonen niet alleen bijna twintig miljoen Koerden, maar daar vecht de militante groepering PKK in hun naam al dertig jaar voor zelfbestuur. De PKK heeft goede relaties in Syrisch Koerdistan. In Turkije rijst het doemscenario van „een mega-Koerdistan” aan zijn zuidgrenzen. De val van Saddam Hussein leidde in het noorden van Irak al tot autonoom bestuur voor de Koerden. De verzwakking van Assad, onder aanvoering van de Turken zelf, maakt de Koerden tot een ongewenste winnaar in de regio.

Premier Recep Tayyip Erdogan voedt de zorg van zijn nationalistische achterban. „Het is ons natuurlijke recht om in te grijpen in Noord-Syrië, aangezien terroristische groeperingen onze nationale vrede kunnen verstoren”, waarschuwt hij. En hij laat het niet alleen bij woorden. Het Turkse leger stuurde deze week troepenversterkingen naar de grens met Syrië. Tanks, pantservoertuigen, luchtafweergeschut, raketinstallaties. Volgens een overeenkomst die de Turkse regering in 1998 in Adana tekende met de vader van Bashar al-Assad heeft het Turkse leger het recht om Syrië binnen te trekken als „de veiligheid van Turkije wordt bedreigd”. „Turkije kan niet doen alsof er niks aan de hand is”, aldus een regeringswoordvoerder.

Dus wat is er aan de hand in het noordoosten van Syrië? Het is niet eenvoudig om dat met eigen ogen te zien. De wegen naar steden als Kobane zijn nog steeds in handen van het regeringsleger en milities trouw aan president Assad. De Koerdische journaliste Berfin Ronahi, opgeleid in Duitsland, slaagde er in om Al-Qamishli (Qamishlo in het Koerdisch) te bereiken. Dat is een stad met een grote Koerdische bevolking, aan de Turkse grens. Ze werd naar binnengesmokkeld door Koerdische strijders. „Overal hoor ik het onbegrip over de reactie van de Turken”, vertelt ze aan de telefoon. „Waarom wordt iedereen in Syrië vrijheid gegund, maar niet de Koerden? De Koerden willen democratie, net als andere Syriërs.” De stad waar ze nu verblijft is minder vrij dan Kobane. Het regeringsleger staat buiten de poorten van de stad, de geheime dienst is er nog, maar blijft in zijn kantoor. „Er is afgelopen zondag een demonstratie georganiseerd”, vertelt journaliste Ronahi. „De geheime dienst greep niet in. Ze lieten het begaan.”

De herwonnen Koerdische vrijheid is een gecontroleerde vrijheid. Met zijn handen vol aan de strijd in Aleppo schonk Assad de 2 miljoen Koerden (naast 20 miljoen Arabieren) zelfbestuur, in een sluw verdeel-en-heersspel waarmee hij de Turken kan treiteren. Koerden golden in Syrië, net als in Turkije, als tweederangsburgers. Ze mochten hun taal niet spreken, en hadden vaak niet eens een paspoort. Toen de druk van de Syrische Arabische oppositie, gesteund door Turkije, toenam liet Assad de touwtjes bij de Koerden vieren. Ze mochten scholen en culturele centra openen. Ze mochten lokale verkiezingen organiseren. De strijders van de PKK, die aanslagen plegen in Turkije, mogen van Assad Syrië als uitvalsbasis gebruiken.

„De Turkse dreigementen zijn gebaseerd op een anti-Koerdische fobie”, schrijft het kantoor van de leider van de Syrische Koerden, Salih Muslim, in antwoord op vragen van deze krant. „De vestiging van Koerdisch zelfbestuur moet niet worden gezien als een bedreiging van de regionale stabiliteit maar als bijdrage. De Koerden zijn niet separatistisch en hebben ook die ambitie niet.”

Maar niet alleen de Turken zijn bezorgd. De leider van het (overwegend Arabische) Vrije Syrische Leger, kolonel Riad al-Asaad, laat in een Turkse krant weten „niet toe te staan dat ook maar een meter van Syrisch land verdeeld zal worden. We zullen tegen iedereen vechten die dat probeert.” De kolonel zegt het Joegoslavië-scenario te vrezen waarin het land na de val van de dictator uiteenvalt in autonome gebieden voor de minderheden. Hij uit die vrees vanuit een vluchtelingenkamp in Turkije, zijn gastheer. De slag om Syrië gaat al lang niet meer alleen om de val van Assad, maar om de verdeling van de buit de dag erna.