Spot met beide kampen

De hoofdpersoon in Tweede persoon enkelvoud van de Israëlisch-Arabische auteur Sayed Kashua heeft het goed voor elkaar. Als Arabische Israëliër van eenvoudige komaf heeft hij zich opgewerkt tot een geslaagd advocaat. Hij woont met vrouw en twee kinderen in een chique Arabische wijk van Jeruzalem. Ook zijn Arabische vrienden zijn geslaagde academici, met wie hij sushi eet en wijn drinkt. Hij heeft uitsluitend Arabische cliënten, meest Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever, maar hij vestigt zijn kantoor in West-Jeruzalem, omdat Palestijnen meer vertrouwen hebben in een echte Israëlische advocaat.

Toch voelt hij zich permanent onzeker. Anders dan Joodse Israëliërs, die – naar zijn idee – niets hoeven te bewijzen, kan hij het zich niet veroorloven in een eenvoudige Japanner te rijden. Nee, het moet een Mercedes zijn, omdat zijn cliënten hem anders niet serieus nemen. Ook doet hij erg zijn best om zich de westerse cultuur eigen te maken, want hoe hard hij ook roept dat Oum Kalthoum óók cultuur is, hij blijft zich minderwaardig voelen als hij weer eens niet weet wie de Rolling Stones zijn of wie Tolstoj was. Daarom schaft hij elke week een boek aan dat ertoe doet, om mee te kunnen praten.

Zo koopt hij op een dag een tweedehands exemplaar van Tolstojs De Kreutzersonate. In het boek treft hij een briefje aan in het handschrift van zijn vrouw, waarin ze iemand bedankt voor de fantastische avond. Dat zet zijn wereld op zijn kop. Zonder nadenken pakt hij een mes uit de keukenlade en stormt hij naar de slaapkamer om zijn vrouw te vermoorden. Inderdaad, net als de door jaloezie verblinde hoofdpersoon in De Kreutzersonate. Maar als hij haar ziet liggen met haar baby naast zich, ziet hij er toch maar even van af.

Dan komt de tweede hoofdpersoon in beeld, de Arabische maatschappelijk werker Amier, die ’s nachts verzorger is van de Joodse Jonatan, die in coma ligt. Het wordt de lezer snel duidelijk dat deze Amier degene is voor wie het briefje ooit bestemd was. De advocaat komt daar pas tegen het eind van het boek achter. In de tussentijd zijn we getuige van de tragikomische zoektocht van de advocaat naar de vermeende minnaar van zijn vrouw. Ook nadat ze hem een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het briefje, vertrouwt hij haar niet. Hij ziet zichzelf daarbij geconfronteerd met zijn vooroordelen: eerwraak heeft hij altijd publiekelijk veroordeeld, maar het idee dat zijn vrouw iets met een ander heeft gehad, al was het voor ze hem kende, bezorgt hem nu moordneigingen.

Zijn relaas wordt afgewisseld met dat van Amier, die zich, gebruikmakend van de identiteit van Jonatan, toegang weet te verschaffen tot het bolwerk van de Asjkenazische elite, de Jeruzalemse kunstacademie Betsalel. Daar hoort hij zijn linkse medestudenten het ene na het andere vooroordeel over Arabieren debiteren.

Sayed Kashua (1975) groeide op in het stadje Tira in de ‘Driehoek’, de streek ten noordoosten van Tel Aviv waar voornamelijk Arabieren wonen. (En voordat een politiek correcte briefschrijver opmerkt dat de juiste term voor de Arabische inwoners van Israël ‘Palestijnen’ is: Kashua zelf spreekt van ‘Arabieren’.) Als een van de weinige Arabieren bezocht Kashua een Joodse eliteschool, waarna hij ging studeren aan de Jeruzalemse universiteit.

Naast auteur is hij columnist in diverse kranten en schreef hij het scenario van een populaire, All in the Family-achtige televisieserie over een modern Arabisch echtpaar. In 2002 debuteerde hij met Dansende Arabieren (2003), een roman over een talentvolle Arabische jongen die op een prestigieuze Joodse school terechtkomt, zich spiegelt aan zijn medescholieren, vervreemd raakt van zijn Arabische omgeving, maar later ook verstoten wordt door de Joden bij wie hij zo graag wil horen.

Kashua, die zowel het Arabische als het Joodse segment van de Israëlische samenleving door en door kent, stelt in Tweede persoon enkelvoud fijntjes en met humor de hebbelijkheden van beide kanten aan de kaak, de onderlinge rivaliteit tussen de Arabieren uit verschillende dorpen, de kinderlijke behoefte van de eerste generatie Arabische academici om elkaar de loef af te steken en zich te meten met de Joodse elite, het terloopse superioriteitsbesef van linkse Joden ten aanzien van de Arabieren.

Kashua’s observaties zijn nooit verontwaardigd, maar altijd laconiek. Hij veroordeelt niemand en laat ook ruimte voor onderling begrip. Dat maakt het boek optimistischer dan Dansende Arabieren. Al blijft het tot de laatste zin van het boek spannend hoe het zal aflopen met de jaloerse advocaat en zijn vrouw.