Slapen, eten en trainen: verder niks

N atuurlijk is hij er weer bij – hoe kan het ook anders? De Spelen zonder roeier Diederik Simon, dat is als Sesamstraat zonder Pino, of als een schaatstoernooi zonder de wollen truien van Mart Smeets. Simon was er bij in 1996, in 2000, in 2004, in 2008, en nu dus ook in Londen.

Hij fietst veel, zegt hij. Maar eigenlijk is het geen gezicht, Diederik Simon op een racefiets. Hij is te groot, en te breed. Onder zijn kont lijkt de fiets waar hij op zit net een kinderfietsje. Zijn handen zijn net zo groot als het stuur. De pedalen kreunen onder zijn voeten.

Hij is intussen 42. Zijn roeicarrière is een aaneensluiting van comebacks. „Ik heb zo vaak gezegd: ‘dit was het’. Maar daarna miste ik het roeien al snel weer. De boot, de beproeving, de mooie vooruitzichten – het is de drang om bijzondere dingen te doen’.”

Het leven van Simon bestaat uit drie dingen: roeien, roeien en roeien. Hij heeft geen tv. Geen auto. Geen Facebook, geen Twitter, geen internettelefoon. „Toen mijn tv kapot ging kocht ik geen nieuwe – en ik mis er niets aan. Ik volg niet zoveel andere dingen. Sport kijk ik niet; ik ben niet zo'n sportliefhebber. Van roeien weet ik alles, maar verder...”

Simon is monomaan. Hij beheerst de edele kunst van het vervelen. „Ik slaap, ik eet, ik train en verder doe ik niks. Klinkt saai hè? Maar ik vind het niet erg. Ik offer heel veel op, maar ik krijg er ook veel voor terug. Kijk naar mijn leeftijdsgenoten; daar wil ik niet mee ruilen. Ze zijn dik en uitgezakt. Ik niet. Ik roei nog net zo hard als tien jaar geleden. Ik ben eigenlijk niets veranderd sinds mijn eerste Spelen.” Hij wijst op zijn de kalende plekken op zijn kruin. „Ik heb alleen wat minder haar.”

Oud worden zit in je hoofd, zegt hij, niet in je lichaam. „De kop is het probleem bij de meeste mensen. Als je ouder wordt wil je andere dingen, je wordt al dat trainen zat, je verlangt naar iets anders. Ik niet. En daarom blijf ik jong, al noemen de andere roeiers me voor de grap opa.”

Maar vrienden heeft hij nauwelijks in de boot. Die bestaan niet in topsport, vindt hij. Zeker niet in het roeien. „Je roeit de helft van de tijd tegen elkaar om in de boot te komen. Er is altijd gedoe. Sommige jongens gaan eraan kapot. Ik ben het wel gewend, dat gedoe. Presteren, daar gaat het om.”

De Holland Acht van Simon werd een paar dagen geleden vijfde. Sléchts vijfde, misschien wel. „Er zat meer in. Maar er zit altijd meer in. Perfectie bestaat niet. De resultaten zijn uiteindelijk leidend. Als je wint heb je niets te klagen, als je vijfde wordt is er altijd wat.” Hij haalt zijn schouders op. Vijfde is niks, maar het is niet anders.

Simon blijft niet in Londen, gaat naar huis. „Ik kom om te roeien, niets meer en niets minder. Al die dingen eromheen zijn niks voor mij. Het olympisch dorp niet, die mediadingetjes niet, en het Holland House al helemaal niet. Ik kwam er op de avond na de wedstrijd en was meteen ongelukkig tussen die stompzinnige oranjekudde. Ik dacht: hier wil ik niet bij horen. Ik wilde wegrennen. In plaats daarvan ben ik gaan zuipen, na een paar biertjes ging het wel.”

Hij stapt van de fiets en pakt zijn rugzak. Op naar Nederland. Hoe zijn toekomst eruitziet weet hij nu even niet. „Ik denk dat de kans groot is dat ik stop. Het is het wel mooi geweest, misschien.” Misschien ook niet. Voor hetzelfde geld is hij er in Rio gewoon weer bij.

Met Diederik Simon weet je het nooit.

NRC-sportredacteur Zonneveld fietst dagelijks met (oud-)sporters en prominenten door Londen.