Roekeloze splijting van de filosofie

Er moet een heel nieuw begin worden gemaakt met de filosofie, omdat die in alle opzichten is ontspoord. Dat bepleit Henk van der Waal in zijn nieuwe boek. Maar elke zin van zijn revolutionaire betoog nodigt uit tot tegenspraak.

Wie een filosofieboek begint met met een verzoek aan de lezer om mogelijke tegenwerpingen even te laten voor wat ze zijn, kan moeilijkheden verwachten. ‘Wat is dat nu?’ zal zo’n lezer zeggen. ‘Zijn kritische zin en scherpzinnige toetsing niet juist het handelsmerk van de filosofie? Leeft zij niet van het debat waarin argument tegen argument wordt weggestreept en je er met goede bedoelingen alléén niet komt?’

Toch kun je de dichter en filosoof Henk van der Waal, die in het begin van zijn boek Denken op de plaats rust vraagt om ‘mensen die niet tegen [...] maar mee willen denken’, moeilijk beschuldigen van gemakzucht. Daar is de ambitie van zijn omvangrijke denkavontuur te groot voor. Hij wil niet minder dat een heel nieuw begin maken met de filosofie. Of liever: de filosofie weer terugbrengen tot datgene waarvoor ze eigenlijk bedoeld is. Want het is met haar goed misgegaan, net als trouwens met de westerse cultuur in het algemeen.

Dat blijkt volgens Van der Waal uit de lamlendigheid waarmee mensen hebben leren leven met paradoxen zonder zich daar werkelijk druk om te maken. De supermarkt wil een groene reputatie hebben, maar verkoopt net zo lief plofkippen. De gelovige moet vriendelijk omgaan met niet-gelovigen, ook al verbiedt zijn eigen religie dat. De homo moet democratisch accepteren dat er mensen zijn die hem dood wensen. Om tussen al die paradoxen staande te blijven, hebben we een onverschilligheid omhelsd waarin niets er meer toe doet.

Van zo’n analyse kun je moeilijk warm of koud worden, maar origineel is de wijze waarop Van der Waal filosofische denkbeelden daarin een rol laat spelen. Niet als tegenkrachten maar als medeplichtigen – juist daar waar zij het meest cultuurkritisch leken te zijn. Beschrijft Freud de mens als een wezen van drift en begeerte en maakt Gilles Deleuze daar zelfs een ‘verlangensmachine’ van, dan blijkt dat naadloos te passen in wat Van der Waal het ‘wetenschapstechnologisch kapitalisme’ noemt. Geef aan die verlangens een commerciële draai, maak er consumptiedrift van, en soepeltjes glijdt dit driftwezen de meedogenloze machinerie van produceren en verteren binnen.

Met de onderlinge menselijke verhoudingen is het niet beter gesteld. We communiceren ons een slag in de rondte, zo stelt Van der Waal vast, zonder dat dit aan onderlinge verbondenheid iets bijdraagt. We twitteren naar onbekenden en op Facebook maken we even snel vrienden als dat we ons weer van hen ‘ont-vrienden’. Wat zielsverwantschap zou kunnen zijn is verworden tot een kwettercarrousel zonder inhoud. Het resultaat is hetzelfde als dat van de consumptie. Wat betekenis zou moeten hebben is een zinloze tredmolen geworden, die de ‘sociale-netwerkmens’ ervan afhoudt zich de goede vragen te stellen. De vragen waarvoor de filosofie bedoeld is.

Aangroeisels

Om duidelijk te maken wat dat is moet Van der Waal de filosofie eerst ontdoen van alle overbodig geworden aangroeisels. Zo heeft zij met de kennis van de werkelijkheid niets te maken, meent hij. Dat terrein is sinds lang succesvol overgenomen door de wetenschappen, die dan ook het terrein van de waarheid bezetten. En van het regelen van de menselijke verhoudingen kan ze zich ook beter verre houden. In ethiek of politiek is het ‘aan de mensen zelf om elkaar de maat te nemen en [...] uit te maken wat goed is en wat niet.’ Wat overblijft is wat Van der Waal het ‘derde ervaringsbereik’ noemt: het onbestemde. Het omvat wat ooit het terrein van de religie was: de oergrond van het bestaan waaruit alle betekenis voortkomt maar die zich hoogstens moeizaam in woorden vangen laat. Bij Van der Waal komt die ervaring dicht in de buurt van de mystiek, met de kunst en de liefde als uitgelezen speelvlak. In hen ondervindt de in zichzelf ingekeerde ziel hoe zij wortelt in iets dat groter is dan zijzelf en dat haar maakt. Dat kan de taal zijn, of de verwevenheid met anderen die zij ondervindt in liefde en vriendschap.

Dat zijn even vage als dikke woorden, maar men kan het Van der Waal moeilijk kwalijk nemen dat hij terugvalt op geëxalteerde taal, waar het erop aan komt zijn ‘opgetogenheid’ te beschrijven. Veel problematischer is de dikke scheidingsmuur waarmee hij deze filosofische ervaring afzondert van de andere, volgens hem niet-filosofische gebieden: die van wetenschap, techniek en waarheid en die van politiek en ethiek. Hoewel hij dat niet beoogt, dreigt de filosofie daarmee weg te drijven van de werkelijkheid, die van haar kant door diezelfde filosofie aan haar lot wordt overgelaten. Dat is voor beide een slechte zaak.

Neem de manier waarop Van der Waal de lof zingt van de liefde, die hij omschrijft als ‘rondstruinen in het zelf van de ander’. Zo mooi als die uitdrukking is, zo mooi is ook zijn tekening van de liefdesversmelting als filosofische daad. Dichter bij een ervaring van de ik-loze oergrond waaraan het individu ontluikt zullen de meesten van ons waarschijnlijk nooit komen. Maar de zuiverheid daarvan wordt in dit boek wel met erg veel afweerschermen omgeven. ‘De liefde kan niet op zichzelf en vanuit zichzelf geleefd en genoten worden. Daar rust een verbod, een taboe op,’ schrijft Van der Waal misprijzend. Want twee mensen kunnen nog niet besloten hebben een liefdespaar te worden, of er staan al wetten in de weg, geboden en garantiebepalingen, ‘tot er een solide paar is gesmeed waarop een samenleving kan bouwen. Zeg maar een hoeksteen.’

Wie daartoe nog niet eerder een aanvechting had, zal nu (tegen het einde van het boek) Van der Waal graag willen tegenspreken. Want al die geboden en verboden zijn er niet voor niets. Ze regelen het mechaniek van de liefde die mét die paarvorming een institutie geworden is – en dat is als het erop aan komt maar goed ook. Zelfs dan hebben scheidingsadvocaten, belastingconsulenten en huwelijkstherapeuten nog handenvol werk om dat allemaal in goede banen te leiden.

Liefde is er, met andere woorden, nu eenmaal nooit in zuivere vorm, apart van elke andere werkelijkheid. De hyperromantiek van Van der Waal zou dat misschien graag anders willen (en wie tenslotte niet?), maar de liefde is even aards als de mens die haar koestert. Vervuiling met alledaagse sores is niet alleen onvermijdelijk, maar maakt haar ook pas echt. Wie haar wil afzonderen, houdt inderdaad alleen maar exaltatie over.

Wijsheid

De mystici uit de religieuze traditie waren een stuk realistischer dan hun reputatie doet vermoeden – en daarin schuilt veel van hun wijsheid. Bij nader inzien zijn de scherpe grenzen waarmee Van der Waal het terrein van zijn filosofisch avontuur afbakent dus helemaal niet zo onaanvechtbaar. Tenslotte: waarom zou filosofie de ethiek en politiek moeten overlaten aan ‘de mensen zelf ... om uit te maken wat goed is en wat niet’. Alsof dát geen wijsgerige discussie zou opleveren.

En waarom zou zij zich niet mogen inlaten met de wetenschap? Al was het maar om te laten zien waarin die laatste haar boekje te buiten gaat, wanneer zij wij-zijn-ons-brein-achtig het terrein van diezelfde filosofie tracht te bezetten. Terecht is Van der Waal voor dat laatste zeer beducht. Maar daarin wordt geen orde op zaken gesteld doordat de filosofie zich uit het hele debat terugtrekt. En zo wordt het lezen van dit boek vanzelf een doorlopende discussie met wat de auteur opwerpt, inclusief de vraag wat de ‘bedoeling’ van de filosofie is. Bedoeling van wie? – zou je willen vragen. Is er ooit wel zo’n bedoeling geweest?

Eerder lijkt de filosofie een nogal lukraak verlopend avontuur te zijn, dat aanvankelijk de hele wetenschap, een goed deel van de religie en de nog nauwelijks ontwikkelde diepten van de ziel omvatte. Die zwerftocht heeft haar gemaakt tot de onbestemde discipline die zij nu is: volgens de één een wetenschap, volgens de ander een levensleer en volgens een derde een weg tot inkeer en verzinking. Misschien is het meest kenmerkende van de wijsbegeerte wel dat die knoop zich hardnekkig onttrekt aan alle pogingen hem door te hakken.

Henk van der Waal hakt hem wel door en dat is een even uitdagende als roekeloze daad. Hij dwingt de lezer tot een antwoord: wat vind ik van dit intrigerende en aanstekelijk geschreven voorstel, wat vind ik dat filosofie eigenlijk zou moeten zijn? Terecht schrijft hij op de eerste bladzijde dan ook: ‘Dit boek is maar de helft van het verhaal. De rest zit in het hoofd van de lezer.’ Die heeft daar dan ook zijn handen vol aan – al was het maar omdat vrijwel elke zin uitnodigt tot tegenspraak. Dat staat haaks op wat Van der Waal zegt te willen, maar meent hij het werkelijk met zijn roep om alleen maar meedenkers? Tegenspraak is tenslotte van oudsher de stuff waar de filosofie van is gemaakt: het enige waarvan je werkelijk kunt zeggen dat zij ervoor bedoeld is.