Palestijnse boeren moeten weg

Het Palestijnse dorpje Jinba moet verdwijnen voor een militaire oefenterrein. Israël eist steeds meer gebied op de Westelijke Jordaanoever voor zijn kolonisten op.

Het meubilair in de grot van de familie Jabarin bestaat uit louter matrassen. Op de rotswand prijkt een Palestijnse vlag van krijt. De kinderen worden zoet gehouden met ballonnen. Het leven in Jinba, een boerendorpje op de Westelijke Jordaanoever, is zacht gezegd eenvoudig.

Of, beter gezegd, het wás eenvoudig. Tot de slooporders kwamen. De grot, die mogelijk al millennia bestaat, die de geboorten zag van generaties Jabarins, moet worden vernietigd, schrijft het Israëlische ministerie van Defensie. Want het leger moet hier vrij kunnen oefenen met schieten. Zo verstevigt Israël zijn greep op bezet gebied.

Welkom in schietgebied 918. Het bestrijkt duizenden woestijnachtige hectaren van de Westelijke Jordaanoever, ten zuiden van Hebron, vlakbij de grens met Israël. In het schootsveld liggen twaalf primitieve Palestijnse dorpjes. In Jinba, een van de grotere, wonen 32 families, zo’n 320 mensen, en 3.200 geiten en schapen. Het gemekker van de dieren wordt alsmaar overstemd door geraas van overvliegende straaljagers. Langs de steile rotsweg naar Jinba staat, vers geverfd: ‘Gevaar. Toegang verboden’.

Hoewel de Israëlische regering erkent dat het land eigendom is van de Palestijnse boeren, beschouwt het de bewoners als krakers. Ze hebben voor hun hutten en tenten immers geen bouw- en woonvergunning van de Israëlische autoriteiten gekregen. Hun land zouden ze wel mogen gebruiken, maar alleen wanneer het leger niet traint, in de weekeinden en op joodse feestdagen.

Vee doet niet aan feestdagen. Dus hebben de familiehoofden van Jinba zich verzameld in het enige gebouw van beton, een schooltje, voor overleg met de Israëlische advocaat Shlomo Lecker. Die bladert door de slooporders. School. Toilet. Hut. Stal. Grot. Put. Alles moet weg. De dorpsoudsten zitten met de benen wijd, gebedsketting ertussen, op kinderstoeltjes. Ze kijken beteuterd.

„We zijn hier al sinds Ottomaanse tijden, lang voor de bezetting”, zegt Issa Rabbai, die als de slimste en aanvoeder geldt. „We hebben niks. We drinken regenwater. En toch moeten we weg? Is dit wat Israël democratie noemt? Is dit beschaving?”

De advocaat: „Dit is zone C”.

Bij de vredesonderhandelingen in Oslo in 1993 spraken Israël en de Palestijnen af dat de bezette Westelijke Jordaanoever zou worden verdeeld in drie zones – A, B, en C – tot de Palestijnen vijf jaar later volledige autoriteit over het hele gebied zouden krijgen, een autonome Palestijnse staat.

Twintig jaar later is de oude verdeling nog van kracht. De dicht bevolkte zones A en B worden bestuurd door Palestijnse autoriteiten en gecontroleerd door het Israëlische leger. De rurale zone C, ruim 60 procent van het gebied, valt volledig onder Israëlische controle.

In zone C wonen nu 50.000 Palestijnen. Toen Israël de Westelijke Jordaanoever in 1967 bezette, woonden hier naar schatting 300.000 Palestijnen. Terwijl velen uit zone C vertrokken, groeide het aantal joodse kolonisten in honderden nieuwe nederzettingen tot ruim 300.000 nu.

Volgens de Verenigde Naties is een „duidelijk patroon zichtbaar van gedwongen verplaatsing van Palestijnen”. Het afgelopen jaar kregen behalve Jinba zeker een dozijn andere dorpen in het gebied C een slooporder. Sommige dorpjes moeten weg omdat ze op een archeologische plek liggen, andere omdat hun ze niet aan de Israëlische planningseisen voldoen of, als Jinba, in een militaire zone liggen.

Smoesjes, zegt advocaat Lecker. „De enige reden is de confiscatie van land voor nederzettingen.” Volgens de Geneefse Conventie mag Israël de lokale bevolking niet verplaatsen, zegt Lecker, die meent dat het „wegpesten” van Palestijnen als een oorlogsmisdaad moet worden aangemerkt.

Israëlische soldaten komen telkens langs met dreigementen, zeggen de boeren van Jinba. Herders krijgen klappen, banden worden lek gestoken, tractoren in beslag genomen. Het leger trainde een graanveld kapot. Palestijnen vertrekken ook omdat ze in zone C geen vergunningen krijgen om wegen en waterleidingen aan te leggen, of elektriciteit. Wat ze illegaal bouwen, wordt vaak meteen gesloopt.

Europese landen proberen de nood te lenigen, maar zonder veel succes. Israël sloopte het afgelopen jaar ook tientallen projecten die door EU-lidstaten waren gefinancierd – voor tientallen miljoenen euro’s. Het ging om zonnepanelen, schaapskooien, waterbakken. In Jinba moesten alle wc’s die de Britse regering schonk worden gesloopt.

Harde Europese kritiek lijkt tot dovemansoren gericht. De Israëlische premier Netanyahu pocht dat hij de nederzettingen versterkt. Vorig jaar gaf zijn regering ruim 200 miljoen euro uit aan de nederzettingen, bijna 40 procent meer dan in 2010. Critici zeggen dat Israël een voorschot neemt op onderhandelingen over grenzen, door op de grond onomkeerbare feiten te creëren.

Vlakbij het bonkige pad naar Jinba begint de strak geasfalteerde en verlichte weg die naar Mitzpe Yaïr voert. Hoewel deze joodse buitenpost net als Jinba zonder vergunningen werd gebouwd, legde de Israëlische staat de toegangsweg aan.