Lieve managers, wat dóén jullie eigenlijk de hele dag?

Sinds Pim Fortuyn zijn managers de kop van jut. Maar na al die jaren zitten ze gewoon nog op hun plek. Zijn managers dan toch ergens goed voor, vraagt Floor Rusman.

Afgelopen februari zag ik de documentaire Alles van waarde van filmmaker Frans Bromet, over de hinderlijke hoeveelheid managers in de publieke sector. De voorbeelden kennen we inmiddels allemaal: thuiszorgers die een voorgeschreven aantal minuten hebben om hun cliënten steunkousen aan te trekken, leraren die de halve dag formulieren invullen, en documentairemakers die worden lastiggevallen door netmanagers. Hoewel ik me Bromets frustratie kan indenken – hij levert zelf een strijd met de netmanagers – word ik niet meer geraakt door zijn boodschap. ‘Er zijn te veel managers’ is net zo’n cliché geworden als ‘voor Facebook hadden mensen nog écht contáct met elkaar’.

Bromet uit echter een ongenoegen dat breed lijkt te leven onder de bevolking. Sinds Pim Fortuyn in 2002 de oorlog verklaarde aan ‘de managers’, hebben alle partijen, van links tot rechts, dit thema overgenomen. Stond er in de verkiezingsprogramma’s van 2002 nog niets over managers, in 2006 wedijverden partijen met elkaar in het uiten van hun afkeer. De kreten zijn inmiddels bekend: meer handen aan het bed, de leraar moet weer centraal staan, de menselijke maat is zoekgeraakt. Ik lees hier altijd overheen. Geen enkele partij zou immers betogen dat er minder handen aan het bed nodig zijn, dat leraren meer formulieren moeten invullen, of dat het weleens wat minder mag met die menselijke maat.

Dit jaar ging ik eens goed op de teksten letten. Want wat is er sinds 2006 met de managers gebeurd? Zo te zien niets: in de programma’s van 2010 en 2012 staan dezelfde slogans. De toon verschilt – van ‘managers zullen een stap terug moeten doen’ (D66) naar het dreigender ‘hakken in de managementlagen’ (PVV) –, de boodschap niet. In zorg, onderwijs en overheid moeten managers weer plaatsmaken voor professionals. Maar als alle partijen het daarover eens zijn, waarom gebeurt er dan niets? Zouden er stiekem toch politici aan de onderhandelingstafel zitten die zeggen: ‘Ontslagrecht versoepelen, oké, maar handen af van de managementlagen!’? Of zijn ze het zo erg met elkaar eens dat ze vergeten er iets aan te doen?

Er komen nog andere vragen bij me op. Wie zijn toch die managers? Sinds wanneer zijn ze er? Waarom zijn het er zo veel? Wat doen ze? En vooral: wat doen ze verkeerd? Als het echt mogelijk is om hele managementlagen te schrappen, wie gaat dan het werk doen dat eerst door deze lagen werd verricht? Of zitten deze managers eigenlijk de hele dag Tetris te spelen op hun computer?

Bij dezen roep ik ‘de managers’ op om duidelijk te maken – in een opiniestuk, of desnoods met spandoeken op het Malieveld – wat ze doen. Heeft Frans Bromet gelijk? Zijn jullie inderdaad overbodig? Of wordt jullie harde werk sinds 2002 miskend? En ook aan politici heb ik vragen. Wat bedoelen jullie met ‘het terugdringen van managementlagen, bureaucratie en grootschaligheid’? Zijn deze drie zaken, die altijd in een adem worden genoemd, onlosmakelijk verbonden?

En wat betekenen ze? Moeten fusies ongedaan worden gemaakt? Wie moet het werk van de weggehakte managementlagen overnemen? En, het belangrijkst: wat zijn jullie concrete voorstellen?

Waarschijnlijk blijven deze vragen onbeantwoord, omdat de verkiezingen alleen zullen gaan over Europa. De managers ontspringen weer vier jaar de dans, en de leraren blijven formulieren invullen – alle mooie verkiezingsprogramma’s ten spijt.

Floor Rusman (26) is historica en freelance journalist.