Historicus die gezicht gaf aan de gewone soldaat

De Britse veelschrijver John Keegan had oog voor de gewone soldaat. Historische veldslagen beschreef hij als verhalen over mensen.

John Keegan

Wat is oorlog? Is een oorlog een conflict waarbij generaals regimenten, divisies en legerkorpsen over de kaart schuiven? En waarbij de honderdduizenden deelnemende militairen niets meer zijn dan willoze werktuigen in de hand van almachtige poppenspelers?

De gisteren overleden Engelse historicus John Keegan vond van niet. De essentie van de veldslag, tot voor kort de apotheose van ieder gewapend conflict, was hetgeen de gewone militair meemaakte op het slagveld, vond hij. Waarom blijft een soldaat netjes in het gelid staan terwijl hij urenlang wordt beschoten? Hoe voelt het om deel te nemen aan een stormloop en je bajonet in het lichaam van je tegenstander te drukken? Dat was het soort vragen dat Keegan wilde beantwoorden.

Hij deed dat in 1976, in zijn klassiek geworden The Face of Battle, waarin hij de veldslagen van Azincourt (1415), Waterloo (1815) en de Somme (1916) bestudeerde. Keegans boek brak met een traditie in de militaire geschiedschrijving, waarbij de deelnemende soldaten veelal anoniem bleven. Met de Face of Battle gaf Keegan hen een gezicht.

John Keegan werd in 1934 geboren in Londen. Als kind liep hij een ziekte op die hem de rest van zijn leven het lopen zou bemoeilijken. Daarom zou hij zelf nooit dienen als militair. Hij studeerde geschiedenis in Oxford en werd docent aan de Royal Military Academy Sandhurst. In 1986 verliet hij deze officiersopleiding en werd defensieredacteur bij het conservatieve dagblad The Daily Telegraph.

Hij publiceerde nog een twintigtal boeken, waarvan het in 1993 verschenen A History of Warfare het meest spraakmakend was. In dit boek kruist Keegan de degens met de Carl von Clausewitz, de negentiende-eeuwse Duitse generaal en militair-theoreticus die stelde dat oorlog de voortzetting van politiek met andere middelen is. Volgens Keegan negeerde Clausewitz de culturele component van oorlogsvoering. Wat was er immers politiek aan de rituele strijdwijze van de Azteken die zoveel mogelijk tegenstanders gevangennamen om hen te kunnen offeren aan de goden?

Keegan kreeg kritiek van historici die vonden dat hij niets van Clausewitz begrepen had, zoals hij ook kritiek kreeg vanwege zijn standpunten rondom conflicten als de Eerste Golfoorlog en die in Joegoslavië.

Keegan was zeker geen pacifist, maar wellicht kwam zijn afkeer van Clausewitz wel vooral voort uit zijn begrip van wat het betekende om als soldaat te vechten in een ‘totale oorlog’. Het zou goed zijn, zo besluit hij zijn A History of Warfare, als politiek en oorlog „niet langer tot hetzelfde continuüm zouden behoren”.