Hier speelde ze vroeger stoeprandje, en bordje-tik

Wonen in de buurt waar je opgroeide roept herinneringen op. Van de keren dat je buiten speelde, op straat – dat kon toen gewoon. Of eindeloos op een hek zitten kletsen. De winkeltjes die vroeger in de buurt stonden, die zijn allemaal verdwenen. Dat is nu de Albert Heijn.Door Sheila Kamerman en Dick Wittenberg

De straat stond nog niet vol met auto’s. Je kon stoeprandje butsen. Kinderen hadden geen computer. Spelen deed je op straat.

Karin Alsemgeest, 29 jaar, cateringmanager op een politiebureau. Woont haar hele leven al in deze buurt. Eerst samen met haar ouders een paar straten verderop. Sinds zes jaar in deze flatwoning met uitzicht op de oudste fontein van Eindhoven. Haar jongere zus huurt een huis verderop in de straat.

Ze is „net op tijd” opgegroeid in deze buurt. Daarmee bedoelt ze: voordat iedereen zich terugtrok, meer op zichzelf werd. In die tijd woonden er in de straat één, twee, drie, vier, vijf gezinnen met kinderen van haar leeftijd. Ze gaat de huizen in gedachten af. Naast hen woonde een Turkse familie met een jongen, Oguzan, en een meisje, Digdam. Andere namen van speelkameraadjes die ze zich herinnert: Patrick, Fouad, Carin, Marijke, Moira, Kim, Lieke, Lopke, Pauline, Paulien, Karien. Allemaal verdwenen uit de buurt.

Ze knikkerden. Ze elastiekten. Ze deden bordje-tik, met een tennisbal moest je het straatnaambordje raken.

Hangjongere is ze nooit geweest. Daarvoor was ze te braaf, te netjes, te verlegen ook. Ze durfde nooit iets te zeggen. Dat heeft ze later pas geleerd.

Liefst was ze thuis. Een echte huismus. Een huismus met een parkiet. Ze hadden een leuk hondje van een vuilnisbakkenras. Ze wilde een dier voor zichzelf. Ze had wel pech met haar parkieten die ze op haar slaapkamer hield. Ze gingen steeds dood. Nee, ze begroef ze niet. Ze verdwenen in de vuilnisbak. Zo nuchter was ze ook wel weer.

Nu woont ze samen met een hond en een parkiet.