Geef me het schone achter de sluier

Tussen de ene en andere psychiatrische kliniek trok schrijver Gérard de Nerval er op uit. Het alledaagse fascineerde hem, ook in de Oriënt.

Met Hölderlin behoort Gérard de Nerval (1808-1855) tot die romantische dichters, van wie de grootheid lange tijd is miskend omdat ze op zeker moment aan waanzin ten prooi zijn gevallen. Hölderlin eindigde zijn leven opgesloten in een torenkamer in Tübingen, Nerval pleegde zelfmoord na meer dan eens te zijn opgenomen in een psychiatrische kliniek. In de perioden daartussenin schreef hij zijn gedichten, verhalen en artikelen, rondzwervend door Parijs en door de wereld, zelden voorzien van een vaste woning. Een dichterlijke dakloze. Pas in de 20ste eeuw werd zijn genie ten volle erkend, onder meer door de surrealisten die zich verwant voelden met zijn poëtisch ‘surnaturalisme’.

In 1841 verbleef Nerval (die eigenlijk Gérard Labrunie heette) bijna het hele jaar in een inrichting. Nadat hij weer was ontslagen, ondernam hij een lange reis naar het Midden-Oosten, in 1843. Vermoedelijk wilde hij bewijzen weer helemaal de oude te zijn. Bovendien konden er over zo’n reis allerlei artikelen en uiteindelijk een boek worden geschreven. Dat boek werd de Voyage en Orient (1851), Nervals meest omvangrijke publicatie, nu prachtig vertaald (en voor het eerst compleet) door Hannie Vermeer-Pardoen.

In haar voorwoord noemt de vertaalster het boek een ‘roman’. Ook al schrijft Nerval ergens dat hij ‘wil leven als in een roman’ , lijkt me dat overdreven. Maar een gewoon, realistisch reisverslag is het evenmin. Nerval heeft veel verzonnen en het nodige weggelaten.

Om te beginnen maakte hij de reis niet in zijn eentje, maar samen met Joseph de Fonfride, over wie verder helaas vrijwel niets bekend is. Ook heeft hij in zijn boek twee afzonderlijke reizen gecombineerd, want de trip naar Wenen die in de inleiding wordt opgevoerd als de start van de Oriënt-reis, vond in werkelijkheid een paar jaar eerder plaats. In 1843 reisde Nerval niet via Wenen, Triëst en Griekenland naar Egypte, hij nam de boot in Marseille.

Reis naar de Oriënt is vooral geen roman omdat een duidelijke intrige ontbreekt. Wel duiken enkele hoofdthema’s op die je in alle geschriften van Nerval kunt tegenkomen, zoals zijn obsessie voor vrouwen en voor religie. Nerval was een platonische erotomaan, veelal in de ban van onbereikbare actrices, en hij was een vaak onnavolgbare mythomaan. In Egypte komen beide hoedanigheden samen in zijn fascinatie voor de sluier en al het geheimzinnige schoons dat daarachter schuilgaat – met inbegrip van de sluier van Isis, de Egyptische godin, die een ingewijde volgens de overlevering aan het eind van zijn beproeving mocht oplichten.

Javaanse slavin

In dit boek komt de vrouw wel heel dichtbij, wanneer Nerval in Kaïro besluit een huis te huren omdat de Europese hotels te duur zijn. Het blijkt dat hij het huis alleen mag bewonen, als hij een vrouw neemt. Om aan die eis te voldoen schaft hij zich een slavin aan, een mooie Javaanse, zoals hij ze ‘in Holland op schilderijen had gezien’.

Het meisje ontpopt zich als een blok aan zijn been. Want hoe moet hij ooit weer van haar afkomen? Het plan was haar de vrijheid te schenken, maar die wil zij helemaal niet. Tenslotte laat hij haar in Libanon achter, bij een druzische sjeik met wiens dochter hij zich had willen verloven – een verbintenis waar ook niets van komt.

Wat er allemaal van waar is, we weten het niet, behalve dan dat die slavin waarschijnlijk door reisgenoot Fonfride werd gekocht. Het geeft niets, want het is vermakelijk genoeg om te lezen: een komisch contrapunt voor Nervals mythologische queeste.

Wat mythologie en religie betreft blijkt het Midden-Oosten een mer à boire, en dan komt Nerval (omdat hij te veel geld aan de slavin zou hebben uitgegeven) aan Palestina oftewel het Heilige Land niet eens toe. Aan Libanon en Syrië heeft hij al de handen vol, met zijn verlangen om zich volledig onder te dompelen in ‘deze bezielende bronnen der mensheid, waaruit de poëzie is voortgekomen en het geloof van onze vaderen’. In dit mystieke ‘moederland’ , in deze ‘wieg van alle godsdiensten’ smelt de scepsis en waaien de legenden hem tegemoet – een welkom tegenwicht tegen ‘de moderne geest en de vooruitgang’ waarmee hij minder lijkt op te hebben.

‘In het Midden-Oosten wordt alles verhaal’, lezen we. Twee van zulke verhalen, mythen of legenden in feite, zijn opgenomen in het reisverslag: het verhaal van kalief Hakim, de god van de druzen, die zijn zuster bemint en dat met de dood moet bekopen, en het verhaal van Soliman (vertaald als ‘Soelaimaan’) en Balkis, de beeldschone koningin van Saba, waarin de hoofdrol is weggelegd voor de geniale bouwmeester Adoniram, die voor Soliman een tempel bouwt en als nazaat van Kaïn afdaalt naar het vurige binnenste van de aarde. Typerend voor Nervals syncretisme is de wonderlijke mix van motieven uit Bijbel, Koran, vrijmetselarij en Goethes Faust in deze laatste legende.

Feestelijke nachten

Het verhaal wordt zogenaamd verteld in een café in Istanboel, tijdens de feestelijke nachten van de ramadan, waar Nerval verkleed als Pers (omdat christenen niet welkom zijn) aan meedoet. Dat verkleden is bij hem regel: Nerval bereist de Oriënt niet als een Europese grand seigneur, maar hij probeert zo dicht mogelijk bij de autochtonen te komen. In Egypte laat hij zelfs zijn haar afscheren, op een plukje boven op het hoofd na.

Anders dan bij illustere voorgangers als Chateaubriand en Lamartine, beperkt zijn belangstelling zich ook niet tot de bekende historische monumenten. Nerval heeft volop aandacht voor het alledaagse leven.

Dat maakt deze Reis naar de Oriënt tot een onvoorspelbare, nog altijd hoogst aantrekkelijke combinatie van levendig reisverslag vol kleurrijke details en persoonlijke zoektocht naar de bronnen van kunst, religie en beschaving. Romantischer kan een boek bijna niet zijn, juist door het harmonieuze samengaan van zo ongelijksoortige elementen. Dat het geschreven werd door iemand die weldra weer in een inrichting zou verdwijnen, is achteraf nauwelijks te begrijpen.