Draghi: de Pythia van Frankfurt

Bijna eensgezind oordeelde de financiële vakpers vanmorgen over president Draghi van de Europese Centrale Bank (ECB). Na een week gissen en hopen was de ogenschijnlijk terugtrekkende beweging die Draghi gisteren na de wekelijkse bestuursvergadering van de ECB maakte voor Financial Times, The Wall Street Journal en Het Financieele Dagblad reden om vast te stellen dat hij de beleggers had „teleurgesteld”.

Die krantenkoppen klopten. De rente voor Spaanse en Italiaanse staatsobligaties ging omhoog. Kritische grenzen dienden zich weer aan. Deze ontgoocheling had te maken met een tweetal uitspraken van Draghi vorige week in Londen. De ECB zou „alles doen wat nodig is om de euro te redden”, aldus de Europese centrale bankier. „Geloof me, het zal genoeg zijn.” Omdat de ECB-president een hedendaagse Pythia van Delphi is, stortten de ‘Ecbologisten’, zoals The Economist de financiële kremlinologen noemt, zich op de orakeltaal van Draghi. Conclusie: de ECB zou zich opmaken voor een grootse interventie, zoals het opkopen van staatsobligaties van zwakke eurolanden.

Terug in Frankfurt en na ruggespraak met zijn collega’s gaf Draghi een draai aan zijn uitspraken. De ECB gaat niet over tot een meeslepende actie, maar beperkt zich vooralsnog tot kleinere interventies. Zelfs de rente bleef met 0,75 procent gelijk.

Mogelijk is Draghi tot de orde geroepen door zijn Duitse collega Weidmann. Die liet er afgelopen week geen misverstand over bestaan dat de Bundesbank als belangrijkste centrale bank een grotere stem in het kapittel heeft dan de andere centrale banken in de eurozone.

Zeker is hoe dan ook dat Draghi minder wispelturig ‘communiceert’ dan de markten in hun permanente opwinding interpreteren. De ECB-president deed wat een centrale bankier of minister van Financiën altijd moet doen in crisistijd: uitstralen dat alles onder controle is, maar zich niet in de kaart laten kijken. Bovendien moet Draghi de eenheid in eigen huis bewaren. Hij moet de Bundesbank binnenboord houden.

Zonder Weidmann – en zijn Nederlandse ambtgenoot Knot en Finse collega Liikanen – kan de ECB sowieso niets substantieels uitrichten. In die zin is de bankpresident een politicus, zij het zonder politieke partij.

Dat is ook anderszins logisch. Ingrepen van de ECB hebben alleen zin als er tegelijkertijd politieke interventies worden gepleegd die de euro een nieuw bestuurlijk fundament geven. Monetaire en politieke actie moeten hand in hand gaan. De eurocrisis is immers een politieke crisis.