De mens uit baksteen

Ernst Neufert staat dankzij zijn Bauentwurfslehre bekend als de opperfunctionalist van de architectuur. Maar uit een nieuwe, Engelse uitgave van deze bestseller blijkt dat Neufert helemaal niet geloofde in ‘form follows function’.

Die Bauentwurfslehre van Ernst Neufert (1900-1986) is de grootste uitzondering op de regel dat boeken belangrijk zijn voor roem in de architectuur. In tegenstelling tot Vitruvius, Palladio, Le Corbusier en Rem Koolhaas, wier roem deels of zelfs helemaal (Vitruvius) is gebaseerd op hun boeken, komt Neufert in geen enkele architectuurgeschiedenis voor. Alleen architecten kennen hem: zijn Bauentwurfslehre staat op ieder architectuurbureau in de boekenkast en is verreweg het best verkochte architectuurboek aller tijden.

Officieel zijn van dit handboek ruim een miljoen exemplaren verkocht, maar over de hele wereld circuleren talloze roofdrukken. Het is in 18 talen vertaald – niet in het Nederlands overigens, wel in het Chinees. Onlangs verscheen onder de titel Architects’ Data, de vierde Engelse uitgave, een vertaling van de 39ste Bauentwurfslehre uit 2009.

De 39ste Bauentwurfslehre is lang niet dezelfde als de eerste uit 1936. Tijdens zijn leven paste Neufert de nieuwe edities telkens aan de technische ontwikkelingen in de bouw aan. Na zijn dood in 1986 werd dit werk voortgezet door zijn zoon Peter. De laatste twee Duitse uitgaven zijn in opdracht van de Neufert Stichting geactualiseerd door Johannes Kister met medewerking van het nieuwe Bauhaus in Dessau.

Zo omvat Architects’ Data nu een hoofdstuk over duurzaamheid, sustainibility, een begrip dat in 1936 en 1986 nog niet bestond. Ook zijn een paar van de ongeveer 6.200 tekeningen gewijd aan de ruimte die een hedendaagse, met een computer uitgeruste kantoorklerk nodig heeft.

Maar aan de opzet van de Bauentwurfslehre is in 76 jaar in wezen niets veranderd. Nog altijd begint het boek met een verhandeling over maatsystemen. Heel kort vat Neufert samen hoe kunstenaars als Leonardo da Vinci, Albrecht Dürer en Leon Batista Alberti in de 15de eeuw de ideale maten van de Gulden Snede afleidden van het menselijk lichaam. Ook de modulor, het maatsysteem van Le Corbusier op basis van een mens met een lengte van 1 meter 82, doet hij uit de doeken. Ten slotte komt Neufert met zijn eigen maatmens. In 1936 was de Neufertman 1 meter 75 lang en dit is hij in Architects’ Data nog steeds, hoewel de gemiddelde lengte van de Europese mens in de 20ste eeuw aanzienlijk is toegenomen.

Op de introductie over maten volgen enkele algemene hoofdstukken over onder meer bouwbiologie en bouwmanagement. Daarna pas, na meer dan vijftig bladzijden, begint het echte werk met verhandelingen over funderingen, muren, daken, ramen, deuren, trappen, roltrappen, liften en alle andere dingen die een gebouw kent. Na een uitputtende behandeling van al deze onderdelen stapt Neufert over op gebouwentypes: huizen, restaurants, theaters, concertzalen, kerken, synagogen, moskeeën, ziekenhuizen, fabrieken, scholen enzovoorts, enzovoorts. Alleen bordelen, gevangenissen en kazernes ontbreken.

De behandeling van de gebouwentypes verschilt aanzienlijk. Soms geeft hij er slechts de grote lijnen van: de synagoge en de moskee vergen één bladzijde, de ‘christelijke kerk’ drie. Maar aan theaters wijdt hij tien bladzijden. Hiervan geeft hij ook een korte bouwhistorische geschiedenis, van het antieke Griekse theater tot het nooit uitgevoerde Totaltheater van Bauhaus-directeur Walter Gropius uit 1927.

Soms geeft Neufert een krankzinnig aantal details die niet of nauwelijks iets met architectuur hebben te maken. In het lange hoofdstuk over kamers staat bijvoorbeeld hoe je een tafel moet dekken voor het ontbijt, een informeel en een formeel diner. Ook is hier een groot aantal verschillende glazen afgebeeld die bij verschillende alcoholische dranken horen. Riesling drinkt men uit een ander glas dan Bourgogne.

Al met al stelt de Bauentwurfslehre voor vragen uit het dagelijkse leven zelden teleur. Hoeveel ruimte heb je minimaal nodig om op comfortabele wijze een gast te begroeten? Volgens Neufert vereist dit een ruimte met een minimale breedte van 1 meter 80. Hoe hoog moet een bankje zijn om je voet op te zetten waarvan de nagels moeten worden geknipt? 38 centimeter.

Doordat Neufert voor bijna alle handelingen de minimale maten geeft, staat de Bauentwurfslehre bekend als de bijbel van het functionalisme. Neufert heeft dan ook gestudeerd aan het Bauhaus, de bakermat van het ‘form follows function’ in de architectuur. Na zijn studie ging hij werken bij het architectenbureau van Bauhaus-oprichter Walter Gropius en was hij onder meer betrokken bij het ontwerp van Gropius’ beroemde Bauhaus-gebouw in Dessau uit 1926.

Meer nog dan Gropius was Neufert in de ban van de arbeidsstudies van de Amerikaanse bedrijfsgeleerde Frederick Taylor en de autofabrieken van Ford in Detroit. Een woning moet als een auto zijn, vond hij. Net als Fords auto’s moesten woningen bestaan uit geprefabriceerde standaardelementen, zodat ze gemakkelijk en snel konden worden geassembleerd.

Al in 1926 werd de twintiger Neufert benoemd tot hoogleraar architectuur aan de Bauhochschule in Weimar. Hier ontwikkelde hij zich tot de Frederick Taylor van de architectuur. Zoals Taylor verschillende soorten arbeid ontleedde tot simpele, afzonderlijke handelingen en vervolgens naging hoe ze het efficiëntst konden worden uitgevoerd, zo analyseerde Neufert alle dagelijkse handelingen, van afwassen tot strijken en van traplopen tot zitten, om de benodigde afmetingen van ruimtes precies te kunnen bepalen.

Na de machtsgreep van de nazi’s in Duitsland in 1933 bleef Neufert trouw aan het functionalisme. Toen de nazi’s in 1933 het Bauhaus sloten en functionalistische architectuur als ‘cultuurbolsjewistisch’ in de ban deden, overwoog hij te emigreren. In 1936 reisde hij naar het land van Ford om te zien of hij daar aan de slag kon.

Maar dat bleek niet nodig: bij terugkomst in Duitsland bleek zijn juist verschenen Bauentwurfslehre een groot succes en begon hij meteen te werken aan de tweede uitgave. Bovendien bleken de nazi’s niet zo vijandig tegenover het functionalisme te staan als eerst leek. Voor fabrieken vonden ze een functionalistische ontwerpwijze wel geschikt.

In 1938 vroeg Hitlers hofarchitect Albert Speer hem zelfs bij zijn bureau te komen werken. Net als Neufert geloofde Speer dat standaardisering en prefabricatie wonderen zouden verrichten in de woningbouw: van de technocraat Speer kreeg de Beauftragte für Normenfragen Neufert de opdracht om verder te gaan met zijn studie naar bouwmaten en -normen.

Neuferts onderzoek mondde uiteindelijk in 1943 uit in zijn Bauordnungslehre, waarin één maatstelsel voor de hele Duitse bouw uit de doeken wordt gedaan. Hierin heersen niet de meter en het tientallig stelsel, maar de oktameter (12,5 centimeter) en een bijbehorend achttallig stelsel. Neuferts voorkeur voor de oktameter was niet alleen ingegeven door technische overwegingen. Zeven was een ongeschikt getal voor een normeringsstelsel, schreef hij nadrukkelijk in de inleiding van de Bauordnungslehre, omdat dit ‘vooral bij joden overal voor erediensten werd gebruikt’.

Neufert heeft altijd beweerd dat de oktameter zo geschikt was als maateenheid in de bouw, omdat hij was afgeleid van de mens. De Neufertman van 1 meter 75 was 15 oktameter, zijn ogen bevonden zich op een hoogte van 14 oktameter (1,625 meter), zijn lid op 7 oktameter (87,5 cm), zijn knie op 4 oktameter (50 cm) enzovoort. De Neufertvrouw had een lengte van 14 oktameter, met verder soortgelijke mooie oktametermaten in gehele getallen als de man.

Na Neuferts dood zou uit architectuurhistorisch onderzoek blijken dat Neufert zijn maatsysteem niet had gebaseerd op de mens, maar op de bestaande Duitse ‘normal’-baksteen van 25 bij 12 bij 5,25 centimeter: uit de Duitse baksteen had hij de Neufertmens geschapen, en niet andersom. Overigens vond Neufert de Duitse baksteen nog niet ideaal. Hij stelde voor de maten te verbeteren tot 24 bij 11,5 bij 5,25 centimeter, zodat ze, met een voeg van 1 centimeter, tot de mooie basisafmetingen van 2 bij 1 bij 0,5 oktameter zouden leiden.

Een jaar voor de verschijning van de Bauordnungslehre had Neufert al een Wohnungsbaumaschine ontworpen, het summum van functionalisme. De woningmachine was een op rails rijdend gesloten bouwwerk van vijf verdiepingen, dat het mogelijk maakte om ook in strenge winters door te werken. Onder aan de machine leverde een vrachtwagen beton en geprefabriceerde onderdelen af, die vervolgens door arbeiders op eenvoudige wijze in gestapelde woningen werden veranderd. Waren de woningen klaar, dan reed de machine een stukje verder om aan de volgende te beginnen. Rijen volstrekt eendere flats waren het resultaat.

Tijdens WOII is het nooit iets geworden met de woningmachine en het oktametersysteem, maar na de oorlog zette Neufert zijn loopbaan rimpelloos voort in West-Duitsland. In juli 1945 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de technische hogeschool in Darmstadt en de Bauentwurfslehre begon aan vele herdrukken. Daarnaast werd hij een veelgevraagde architect, vooral van fabrieken. Veel maten en normen uit de Bauentwurfslehre en de Bauordnungslehre werden verheven tot Deutsche Industrie Normen (DIN). Zo is Neuferts Oktameterstein na de oorlog inderdaad de DIN Stein geworden.

De verheffing van de Neufertsteen tot Duitse steen ging merkwaardig genoeg gepaard met een verzachting van Neuferts functionalistische opvattingen. In het voorwoord bij een naoorlogse uitgave van de Bauentwurfslehre, dat in de vierde The Architects’ Data staat, waarschuwt Neufert dat de lezer de in zijn boek vergaarde kennis niet als het laatste woord in de architectuur moet beschouwen. Kennis staat niet voor eens en altijd vast, de Bauentwurfslehre is geen eindproduct en zal in de toekomst steeds veranderen.

Bovendien moet een architect niet denken dat het boek een bouwdoos is waarmee hij gemakkelijk architectuur kan maken, schrijft hij. Functionalisme bestaat niet, het credo ‘form follows function’ schiet tekort: hoe gebouwen uiteindelijk worden, hangt af van de verbeelding en ideeën van de architect. Daarom bevat Architects’ Data nauwelijks afbeeldingen van exterieurs, schrijft hij, maar bijna alleen plattegronden en doorsneden: hoe de opstanden worden, moeten architecten maar zelf verzinnen.

Neufert erkent zelfs dat mode – een verschijnsel dat nog altijd slechts op minachting van de meeste architecten mag rekenen – hierbij een belangrijke rol speelt. We hoeven niet bang te zijn voor de bizarre verbeelding en willekeur van architecten omdat de mode altijd haar heilzame werk doet, zo legt hij uit in de lange, Duits degelijke, laatste zin van zijn voorwoord: ‘Hun uiteenlopende ontwerpideeën zullen sowieso tot op zekere hoogte worden gecoördineerd door de heersende mode, dat merkwaardige gevoel van gemeenschappelijkheid dat de gezamenlijke inspanningen van de mensheid op een bepaald tijdstip bepaalt en een duurzame en zichtbare uitdrukking vindt in de hedendaagse stijl.’