De druk op Obama neemt toe: niets doen kan niet meer

In Washington wordt opvallend positief gesproken over de Syrische rebellen. Maar de president kan niet openlijk steun geven aan de opstandelingen, daarvoor ligt Syrië internationaal te gevoelig. Toch willen steeds meer politici dat de VS ingrijpen.

Stap voor stap wandelen de Verenigde Staten de Syrische opstand binnen. Het gaat behoedzaam, en president Obama is niet van plan de val van president Bashar al-Assad met grootscheeps militair ingrijpen te versnellen. Maar niemand in Washington ontkent meer dat de Amerikanen de Syrische opstandelingen steunen met inlichtingen en logistieke hulp.

Dit valt onder een geheime opdracht die Obama volgens Amerikaanse media heeft gegeven, om de rebellen meer te helpen. Al eerder was bekend dat Obama toestemming heeft gegeven voor de levering van onder meer radio’s en andere communicatiemiddelen. Deze levering, ter waarde van 25 miljoen dollar, werd niet geheim gehouden.

Regeringswoordvoerders zijn de afgelopen weken opvallend positief over de manier waarop het Vrije Syrische Leger zich heeft ontwikkeld. Obama kan geen openlijke steun geven aan de rebellen, zoals in Libië gebeurde. Daarvoor ligt Syrië internationaal te gevoelig, met de blokkade van Rusland en China in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

Tegelijkertijd kan Obama onmogelijk niets doen. Haviken in eigen land winnen de laatste weken terrein. Meer en meer politici dringen aan op meer initiatief van Obama. Vaak wordt een citaat van een rebel aangehaald, die op het publieke radiostation NPR zei: „Als wij winnen, zullen we nooit vergeten wie ons in de steek hebben gelaten.”

De Republikeinse senator John McCain is de grootste voorstander van militair ingrijpen. Volgens McCain had er al veel eerder een no-flyzone moeten worden afgedwongen boven gebieden waar de rebellen zich organiseren.

McCain krijgt steun uit neoconservatieve hoek van onder anderen Fran Townsend, de voormalige veiligheidsadviseur van George W. Bush. Ingrijpen is volgens haar in het Amerikaanse belang. „Hoe langer het duurt voordat we iets doen”, zei ze op CNN, „hoe radicaler de Syrische bevolking wordt”. Wat Obama doet, zei ze, „is weinig, en het is laat”.

Obama zit met hetzelfde probleem als in Libië: hij weet niet wie hij steunt. Onduidelijk is volgens het Witte Huis welke rol jihadisten en Al-Qaedastrijders spelen, en, als groter probleem, wat de rebellen willen als Assad eenmaal is verjaagd. Volgens Townsend wordt dit probleem alleen maar groter als hij langer wacht. „Je effent zo het pad voor wraak, en voor Al-Qaeda.”

Somberheid over de opties overheerste deze week in een speciale hoorzitting van het Congres, waar deskundigen uitlegden dat er maar weinig opties zijn. Martin Indyk, oud-adviseur van Bill Clinton en nu werkzaam op de denktank Brookings, verwoordde het algemene sentiment door te zeggen dat Amerika „voorzichtig moet zijn met militair ingrijpen”. „Amerika is moe na tien jaar oorlog in de regio. De internationale gemeenschap is verdeeld. Het Syrische leger is nog altijd sterk. De oppositie is te verdeeld om te steunen als geloofwaardig alternatief voor Assad.”

Indyk riep op tot vreedzame steun, bijvoorbeeld door alawitische officieren in de top van Assads regime tot meewerken te bewegen, en Rusland te blijven bewerken om harder stelling te nemen tegen zijn bondgenoot Assad.

Obama denkt dat de val van Assad onvermijdelijk is. De grootste bondgenoot in de regio, Israël, zag nooit veel in de val van Assad, die weliswaar nooit vrede heeft gesloten, maar als betrouwbaar rustige buurman wordt gezien. Nu implosie van het etnisch diverse Syrië dreigt, groeit in Israël de vrees voor de vele chemische wapens en raketten die het regime bezit, en die in handen van radicale groeperingen kunnen vallen. Ook dat vergroot de Amerikaanse wil om het proces te versnellen, bleek uit woorden van de Democraat John Kerry, voorzitter van de Senaatscommissie voor Buitenlandse Zaken. „Het land is aan het ontbinden. Wapens kunnen in de verkeerde handen vallen, en groepen als Al-Qaeda kunnen profiteren van de instabiliteit in Syrië. Hoe langer het duurt, hoe groter de gevaren zijn.”