De Bovenbazen (66)

Tom Poes was die avond naar het woud gegaan om te zien of zijn list al werkte – en daar vond hij Kwetal bij een klein vuurtje zitten. ‘Ik begrijp het niet,’ sprak het ventje ongerust. ‘De woestijn komt nog steeds dichterbij; vandaag zijn de groot-eik en de lange berken gevallen!’

‘Dat is vervelend,’ zei Tom Poes. ‘Heb je de futvoeder dan niet aan heer Bommel gegeven?’

‘O ja, dat heb ik,’ zei de grijsaard. ‘Hij vond hem heel mooi – en hij wilde hem graag hebben. Ja, hoor. Hij beloofde dat de woestijn niet verder zou komen. Maar de grijp-machines gaan maar door en ze maken alles tot gruizeltjes…’

‘O, maar dan is het wel in orde,’ hernam Tom Poes opgelucht. ‘Wanneer heer Ollie de futvoeder heeft, moet mijn list wel werken. Want dan is hij er mee naar de bovenbazen gegaan en die hebben natuurlijk liever een eeuwige beweger dan Solium. Wacht maar rustig af. Morgen zal…’

Op dat moment begon de grond te dreunen. Takken knapten, bladeren ritselden en daar verscheen de hijgende gestalte van heer Bommel in het maanlicht.

‘Oempf… mums…’ sprak de energiekoning uitgeput. ‘Vlug… luister… Men mag mij hier niet aantreffen, bedoel ik… Ik bedoel…’

‘Is er iets?’ vroeg Tom Poes ongerust.

‘Ja!’ riep heer Ollie uit. ‘Er is iets! Het is vreselijk! Kwetal moet vluchten. De bovenbazen willen de uitvinder van de futvoeder vernietigen!’