Canada in de geest van Tom

Tom Thomson, ‘The Jack Pine’ (1916, olieverf op doek, 128 × 140 cm) Foto National Gallery of Canada

Painting Canada. T/m 30/9 Groninger Museum. groningermuseum.nl

Het Groninger Museum verkeert al een tijdje in zwaar weer. Het heeft een miljoenenschuld door een te duur uitgevallen verbouwing en is technisch failliet. De oude directeur is weg, de nieuwe nog niet begonnen. Maar als je naar het tentoonstellingsprogramma kijkt, lijkt er niets aan de hand. Dan zou je zelfs kunnen denken dat het goed gaat met het museum. Op de website wordt onder meer een grote tentoonstelling over Scandinavische kunst rond 1900 aangekondigd, en op dit moment zijn er ruim 120 werken te zien van een groep Canadese landschapsschilders die zich een eeuw geleden lieten inspireren door die Scandinavische tijdgenoten. Het is de eerste tentoonstelling over Tom Thomson en The Group of Seven in Nederland.

Lawren Harris (1885-1970) en James MacDonald (1873-1932) bezochten in 1913 een reizende expositie van Zweedse, Noorse en Deense kunst. Ze voelden zich meteen thuis in de ruige, dunbevolkte landschappen van schilders als Harald Sohlberg, Edvard Munch en Prins Eugen, want ze deden sterk aan Canada denken. De Scandinavische schilders werkten in verschillende stijlen, maar in alle gevallen een stuk moderner dan het gematigde impressionisme dat de Canadese kunst van toen beheerste. „Dit is wat we willen doen met Canada”, schreef MacDonald. In de jaren daarna veranderden Harris en MacDonald samen met hun schildersvrienden vorm en inhoud van de Canadese kunst: ze keken met een frisse blik naar hun eigen land en maakten daar een vereenvoudigde of anderszins gestileerde vertaling van.

Na allerlei oponthoud – de meesten van hen werkten in de Eerste Wereldoorlog als ‘war painter’ – verenigden de schilders zich in 1920 officieel in The Group of Seven. Dat was een vriendengroep met een rouwrandje, want Tom Thomson (1877-1917), de meest begaafde van het stel, was inmiddels omgekomen bij een kano-ongeluk. Hij had maar een jaar of vijf geschilderd en in die periode de toon gezet voor wat de anderen nog decennia bleven doen. Met tentjes, boten of een als atelier ingerichte treinwagon trokken zij de wildernis in en maakten schilderijen als kampvuurverhalen, zoals een van de auteurs treffend zegt in de catalogus.

Aan Thomson zijn in Groningen de eerste twee zalen gewijd, en omdat hij het grootste talent was, zijn dat ook meteen de mooiste. Er hangt een flinke groep olieverfschetsen die hij in de natuur maakte en een kleinere keuze uit de atelierstukken die hij op die studies baseerde. De schetsen spreken duidelijke taal, die zijn opvallend doortastend en stijlvast voor iemand die nog maar zo kort schilderde. Je kijkt opgetogen met Thomson mee naar kale bomen aan een bergmeer, slagschaduwen op de sneeuw, berken onder een sterrenhemel. In de grote schilderijen zie je hem nog zoeken. Ze lijken soms door verschillende schilders gemaakt, zelfs als ze uit hetzelfde jaar dateren. Maar het zijn bijna allemaal veelbelovende uitprobeersels. De Group of Seven zou nog veel interessanter zijn geworden met dat achtste lid erbij.