Wiggins wint in achtertuin van zijn verleden

Bradley Wiggins won gisteren met overmacht de olympische tijdrit. Dankzij Wiggo is wielrennen cool geworden in Groot-Brittannië: sport voor arbeiders en bankiers.

De tomaten bij de buurtsuper zijn 99 pence per kilo, de slager heeft worst in de aanbieding en bij de belwinkel kun je de simlock van je telefoon laten slopen voor een dumpprijs. Het heet hier Harrow Road, zomaar een straat in West-Londen. De winkeltjes zijn klein, de huisjes nog kleiner. Er woonde vroeger een klein rossig jochie. Bradley heette hij.

Het jochie was niet al te best op school. Al die saaie vakken, al die saaie leraren, al die uren in de schoolbanken – hij vond er niks aan. Hij fietste liever. Net als zijn idool Miguel Indurain. Net als zijn vader Garry, die hij niet kende – pa Wiggins had zijn gezin in de steek gelaten en dronk aan de andere kant van de wereld vele liters alcohol.

Zodra hij thuis kwam van school pakte Bradley zijn fiets. Hij reed van Harrow Road naar de wielerbaan van Herne Hill, of anders naar de parken rond Hampton Court Palace. Er werden daar tijdritjes gehouden van tien of twintig mijl. Soms fantaseerde hij dat hij een tijdrit in de Tour fietste, of tijdens de Spelen. Dan was hij Miguel Indurain – zoals zoveel jochies van zijn leeftijd.

Het ventje is een vent geworden, maar de plaats van handeling was gisteren hetzelfde. Wiggins reed de olympische tijdrit in de achtertuin van zijn eigen verleden, op de weggetjes waar hij vroeger fietste. Maar hij deed niet alsof hij Indurain was. Wiggins was gisteren zichzelf, de drievoudig olympisch kampioen, winnaar van de Tour de France, de enige favoriet voor goud.

Toeschouwers stonden overal drie of vier rijen dik en kwamen bijna allemaal voor hem. Ze zwaaiden met vlaggen, ze schreeuwden zijn naam, ze droegen zijn bakkebaarden – al dan niet uitgeknipt uit de krant. Hij fietste door een orkaan van geluid.

Wiggins heeft Engeland veranderd, samen met Mark Cavendish en de Britse baanwielrenners. Wielrennen is geen sport meer voor een paar idioten in nog idiotere pakjes; het is een sport voor iedereen geworden. Voor de working class, maar ook voor de Londense bankiers die op veel te dure fietsen rondjes rijden door Richmond Park. Wielrennen is cool geworden en Wiggins is het middelpunt.

Er gaan stemmen op hem tot Sir te benoemen, maar Wiggins weet niet wat hij daarmee moet. „Zo’n titel ga ik niet gebruiken. Dat ding verdwijnt in de la en hij komt er nooit meer uit.” Hij maakte een wegwerpgebaar. Hij is niet Sir Wiggins, hij is gewoon Bradley.

Natuurlijk won hij de tijdrit. Wiggins verpulverde de concurrentie. De eerste belager (de Duitser Tony Martin) moest 42 seconden toegeven, nummer drie Chris Froome nog twintig seconden meer, de rest werd op minuten gereden.

Na de finish ging hij op de gouden troon zitten die al voor hem klaar stond. Daarna stapte hij weer op zijn fiets en reed hij naar het publiek langs het parcours. „Ik wilde mijn overwinning delen met de mensen die daar uren hebben gestaan, met de mensen die geen ticket of accreditatie hebben voor de podiumceremonie. En ik wilde de geur van garnalensandwiches opsnuiven.”

Het nette Engelse publiek kon zich niet beheersen en klom over de hekken om hem aan te raken, om foto’s te nemen, om van dichtbij naar hem te kijken. Een paar kleine jongetjes vroegen om zijn handtekening. Die kregen ze. Wiggins: „Het mooie van wielrennen is dat iedereen kan komen kijken, dat de wielrenners zo aanraakbaar zijn, dat je over hetzelfde parcours kan fietsen als je helden. Straks rijden hier misschien wel allemaal jochies die doen alsof ze ons zijn.” Ze zullen ervoor zorgen dat de geschiedenis zich herhaalt, alleen heet Miguel Indurain deze keer Bradley Wiggins.