Vrijheidsberoving is het, dat ‘hoerrr’ en ‘ssssj’ op straat

Honderdveertig reacties waren er gisteravond bij nrcnext.nl binnengekomen op de berichtgeving over de documentaire Femme de la Rue van de Belgische filmstudente Sofie Peeters. Honderdveertig reageerders, merendeels jonge vrouwen, die met opmerkelijke eensgezindheid hun nood klaagden. Nageroepen, uitgescholden, achternagezeten, betast en bespuugd door – ook daarover bestond weinig verschil van mening – overwegend Noord-Afrikaanse jongens.

Is dat veel, honderdveertig? Veel hogere aantallen zijn geen uitzondering als het om kwesties gaat die het volksgevoel beroeren – zeker als er slachtofferschap in het geding is. En deze slachtoffergroep hadden we nog niet gehad, dus succes verzekerd.

Als deze cynische gedachtegang in mijn achterhoofd al opgeld deed bij het lezen van de bijdragen, was dat gauw voorbij. Hier waren geen rabiate reaguurders aan het woord die elkaar met drieletterwoorden om de oren sloegen. Hier klonk een koor van oprecht bezorgde vrouwen mij uit de diepten tegemoet – merendeels studentes, wonend in de grote stad, die een lang verborgen klacht eindelijk kwijt konden. Die zich uitten in weloverwogen en kalme bewoordingen, en zich ook nog het hoofd braken over de oorzaken van het gedrag van hun belagers.

Alles bijeen een geslaagde vorm van ‘burgerjournalistiek’ en een mooi groepsportret van geportretteerden en makers. Met citaten uit hun bijdragen kan een uitputtend essay over de kwestie worden geschreven.

Ook de schaarse mannelijke deelnemers doen daarbij een duit in het zakje, met voorop de transseksuele inzender die vertelt hoe hij, naarmate de hormonen hun werk deden en hij er vrouwelijker begon uit te zien, steeds vaker werd nageroepen. „Als man kon ik altijd ongestoord over straat lopen”, zo beschrijft hij zijn wandelende laboratoriumexperiment dat geen psycholoog ooit had kunnen bedenken, „maar dat is nu echt wel verleden tijd. Het is veel erger en ze zijn veel brutaler dan ik van tevoren ingeschat had. Je zou bijna willen dat elke man dit proces eens meemaakt om zelf te ervaren hoe het is om als vrouw over straat te moeten.”

Deze onthutsende ervaring laat zich in één woord samenvatten: vrijheidsberoving. Maar dat ene woord kent vele facetten, waaronder sommige waarover ik evenmin als die transseksuele inzender ooit had nagedacht. Dat verschillende meisjes vertelden te zijn verhuisd omdat de verbale belagingen hun te veel werden, is extreem en zonder meer voorstelbaar.

Nieuw voor mij waren de beperkingen van de manier waarop je je als jonge vrouw voelt en beweegt op straat – vooral ’s avonds, in die bepaalde buurten, waar dat bepaalde soort jongens rondhangt. „Het geeft mij telkens het gevoel dat ik mijzelf moet verbergen en dat ik moet oppassen wat ik draag.” En een ander: „Het treurigste van alles is dat ik nu elke man die me ’s avonds naroept wantrouw, ook die sympathieke drugsverslaafde die me erop wilde wijzen dat ik mijn sleutels had laten vallen.”

Het gevoel van vrijheidsbeperking is niet alleen fysiek – waar durf je je wanneer in je eentje op straat te wagen – maar heeft ook psychische en sociale consequenties. „Vaak durf je niks terug te zeggen uit angst voor fysiek geweld.” Durf je het wel, dan moet je meteen hard doorfietsen. Het beste is, klinkt keer op keer als advies, om je onzichtbaar te maken. Geen oogcontact maken, zet een zonnebril op, en een koptelefoon.

„Ik ben van nature vriendelijk en heb de neiging mensen toe te lachen. Dat laat je wel achterwege als je dan telkens commentaar krijgt. Nu loop ik liefst met mijn zonnebril op en houd ik mijn gezicht in de plooi.” Een ander treurt: „Heel onprettig om niet af en toe zomaar te kunnen glimlachen op straat.” Tot nu toe associeerde ik zonnebrillen en koptelefoons altijd met mensen die willen demonstreren dat ze schijt hebben aan wat er om hen heen gebeurt, met onaangename gevolgen voor de openheid van het stadsleven. Maar ze kunnen dus ook worden ingezet als verdedigingsmethode – waardoor die onaangename gevolgen trouwens nog weer worden versterkt.

Wat beweegt die jongens eigenlijk? Wie roept er nu hoerrr en ssssj tegen een meisje dat hij leuk vindt? Ach, daar gaat het helemaal niet om, zoveel is wel duidelijk. Anders zouden ze je hun lokroep niet fluisterend toesissen als je net voorbij bent. „Komt het wel eens voor dat een meisje dan zegt: ja, prima, ik ga met je mee?” Natuurlijk niet, waarschijnlijk zou die jongen zich doodschrikken.

Nee, het gaat niet om de meisjes, het gaat om de jongens – om henzelf. Niet voor niks klinken de meeste sis- en scheldgeluiden uit groepjes op. „Ik heb er niet voor doorgestudeerd, maar mijn gezond verstand zegt dat jongemannen in groepen zulke dingen alleen doen als boodschap naar elkaar. Om zo de pikorde te handhaven, bijvoorbeeld. Met het object, het meisje, zijn ze helemaal niet bezig, alleen met elkaar.”

Daarom moet je ook niet reageren, vervolgt dezelfde inzendster. „Op het moment dat je, hoe miniem ook, reageert, wordt het persoonlijk” en dan hebben ze je bij de kladden. Wat te doen? – dat is een favoriet onderwerp van deze virtuele zelfhulpgroep. Juist doen wat ze niet verwachten, zoals vrolijk ‘Hoi!’ roepen? Een gevat antwoord geven en dan doorlopen? Glimlachen? Nee, want dan hebben ze je aandacht. „Glimlachen heeft een averechts effect.”

Maar een aan haar naam te zien Russische reageerster heeft andere ervaringen: „Ik als ik niet gemakkelijk voel in nabijheid van een groepje Jonge Jongens dat zin heeft voor stoeien, vraag ik heel serieus en respectvol: JONGE HEREN, hoe kan ik vinden die of die straat?” En dan wordt haar respectvol de weg gewezen, want „dat met Jonge Heren aanspreken vinden die Jongens leuk en passen zich als Jonge Heren aan.”

Jongens zijn het... onaardige jongens, maar heel correct vragen veel inzenders zich af hoe ze dat geworden zijn. Die „seksueel gefrustreerde ongeleide projectielen” kunnen er ook niks aan doen dat ze thuis geen respect voor vrouwen hebben geleerd. Je zal daar maar staan, tweede of derde generatie werkloos, je staat letterlijk aan de kant en dan loopt er zo’n op en top zelfverzekerde blonde meid voorbij. „Daarbij worden ze dan ook nog eens gehinderd door de vele vooroordelen die Nederlandse vrouwen jegens hen hebben (en die ze helaas daardoor ongewild bevestigen.”

Jammer dat die jongens het voor zichzelf verpesten: „Ik merk soms in de trein dat ik minder zin heb om naast een Antilliaanse of Marokkaanse jongen te zitten, omdat ik een beetje angstig ben. Dat is vervelend, want lang niet alle jongens zijn zo.”

„Een beetje angstig”... dat is wel ongeveer de bottom line. Jongens die diep in hun hart bang zijn voor vrouwen, en bang om het respect van hun vrienden te verliezen. Meisjes die bang zijn voor die jongens. En niet te vergeten: een samenleving die in zijn geheel „grof en verbaal agressief is geworden”. En waarin die seksuele frustratie van alle kanten wordt aangemoedigd door het „Lullo’s/BNN/VVD-denken: „Alles mag, als het maar geil is.”

Angst wordt ook genoemd als het gaat om de reacties van de Hollandse vriendjes van de meisjes die worden lastiggevallen. Er zijn verschillende verhalen van meisjes die werden belaagd op drukke plekken, zonder dat iemand ingreep. „Het gebeurde in een drukke kroeg, maar niemand die wat durfde te doen, dus zulke gasten hebben vrij spel op zo’n moment.” Een ander constateert: „Nederlandse mannen houden zich vaak afzijdig, zelfs als hun eigen vriendin of vrouw naast hen wordt lastiggevallen. Heren, het is niet verkeerd om vrouwen in zulke situaties te beschermen.”

Herman Vuijsje is socioloog