Foto Merlijn Doomernik

‘Je wilt niet dat je kind Wadvisser wordt’

Barbara Rodenburg (49) vond de liefde van haar leven op het Wad, toen hij voor haar ogen zestig kilo vis uit de zee trok. Samen vissen ze ambachtelijk, op bijna prehistorische wijze. Maar voor hoe lang nog? „Ze zijn ons gewoon vergeten.”

Barbara lag met haar schip voor anker bij Terschelling en Jan – ze kende hem uit de kroeg in Groningen – zou haar met zijn rubberboot naar de haven brengen. „Eerst nog even kijken of er vis is.” Ze voeren met zijn bootje vol netten om de Vleugeldam heen en ineens riep Jan: „Ja, vis!” Consternatie, getrek en gesleep met netten en ankers, gecommandeer en toen, ze wist niet wat ze zag, een net vol vis, zeker zestig kilo mooie harder. Diezelfde dag slachtte ze een vis, bakte hem en at hem op. Terwijl ze haar halve leven veganist was geweest. „Hier had ik geen moeite mee, dit was een eerlijke strijd.”

Het was 1999. Ze viel voor deze man en voor zijn tovenarij. „Jan is het best bewaarde geheim van het Wad.”

Ze zit in de stuurhut van de TS 31, die in Den Oever op het dok ligt voor onderhoud. Het ruikt naar bootverf en laswerk. Achter haar een kalme Waddenzee. De horizon trekt een streep tussen licht- en donkergrijs.

Barbara Rodenburg-Geertsema (49) was ooit bomenplanter. In Schotland zocht ze boomzaden in het wild die ze opkweekte. Ze trok eropuit met een zaaistok en een tas vol zaailingen, bevoelde de aarde, keek naar de glooiingen in het landschap en plantte bomen. Terug in Nederland, 24 jaar inmiddels, ging ze bos- en natuurbeheer studeren en werd adviseur. Landschapsbeheer, ecologie, ruimtelijke inrichting. Bedrijventerreinen waar nog wat „schaamgroen” omheen moest, een uitlaatbosje bij een woonwijk. Natuurcompensatie voor de vijfde baan van Schiphol „en al het gezwets eromheen”. Toen ze daar moe van was ging ze voor agrarische natuurverenigingen werken. In het weekend viste ze. „Jan had mijn schip mee, mijn huis. Ik ging gewoon naar huis.” In de winter werkte ze overuren, zodat ze ’s zomers week op week af met Jan het Wad op kon.

Dreigend verbod

Ze werkte met liefde voor de boerennatuur. In de avonduren stortte ze zich op het Wad, waar in 2002 een verbod dreigde op de staandwantvisserij – een kleinschalige, eeuwenoude methode waarbij de visser zijn netten in het water legt en de vis erin zwemt. Toen kort daarna volgens Europese regels 141 nieuwe natuurgebieden werden aangewezen, werd de spagaat te groot. De beschermingsplannen hadden niet alleen voor boeren maar ook voor vissers op het Wad grote gevolgen. Ineens realiseerde ze zich: ik werk me uit de naad voor de boeren, maar dit gaat over ons. In 2008 stopte ze met haar goedbetaalde baan aan de wal en koos voor de visserij.

Jan wil zich niet met het gesprek bemoeien, maar hij wil wel even zeggen dat zonder het gefax van Barbara naar de Tweede Kamercommissie die ambachtelijke visserij op het wad en misschien ook de handkokkelvisserij, allang de nek waren omgedraaid. „Vechten helpt. Je wordt er alleen wel moe van.”

Overal ter wereld wordt al sinds de prehistorie gevist ongeveer zoals Jan en Barbara dat doen. Lange netten, aan elkaar geknoopt bijna 2 kilometer, worden langzaam varend overboord gegooid en met een paar ankers vastgezet. „Dan gaan we jagen, lopend in een waadpak een beetje stampei maken, in de hoop dat de vissen het net in zwemmen.” De mazen zijn groot, 11 centimeter, de netten zijn glad, waardoor de bijvangst bijna nul is. Hooguit eens een spierinkje die met zijn bek een maas te pakken heeft.

De grootste onzekerheid zit niet in de visstand maar in de regels. Nu zijn er voor het Wad zestien oesterraapvergunningen, volgend jaar nog maar twaalf

Barbara beschrijft wat er zo mooi aan is. Je komt tot in de kleinste prieltjes, waar niemand anders kan komen. Je staat in het water, dicht bij de vis. Je moet slim zijn om te weten waar je op welk moment moet zijn. Te veel golven zijn niet goed, maar te weinig ook niet. Het tij moet goed zijn. En zelfs als alles klopt, weet je nog niet of het lukt. „Hoewel we het gemiddeld retegoed doen.” Het is de sport, het buitenzijn. Je heel klein voelen op dat onmetelijke Wad en je onderdeel weten van iets heel groots en eeuwigs.

Dat klinkt romantisch maar Barbara kent een visser die de benen van zijn zoon breekt als hij het waagt aan boord te komen. Dat snapt ze wel. „Je wilt niet dat je kind Wadvisser wordt.”

Aal, harder, zeebaars - het Wad verandert

Toen Jan in 1997 zijn vergunningen kocht, klapte de aal in en ging hij verder met harder. Nu gaat het slecht met de harder en vissen ze op zeebaars – die het ook zwaar had maar voorzichtig lijkt terug te komen. De Waddenzee verandert voortdurend, wordt ondieper, warmer en verzandt. „Je kunt niet één oorzaak aanwijzen, maar zoveel zeehonden helpen ook niet.”

Ze hebben een klein zeebaarsquotum, 1.200 kilo mogen ze per jaar aanlanden. Om het hele seizoen te kunnen vissen, halen ze per week maar een kilo of 50 binnen. Dat is een karig bestaan.

Een plek in Nederland zonder mensen, bestaat dat nog? Ja, op een zandplaat. Onze redacteur verbleef er een week.

Jan zei altijd: als de zeebaars weg is voordat de aal terugkomt, zijn we de lul. Maar het zijn oesters die sinds een paar jaar het schip betalen en daar is Barbara trots op. Ze laat de boeken zien. In 2010 begonnen ze met 1.500 kilo. In 2017 hebben ze meer dan 134.000 kilo oesters geraapt, zoveel als ze met eigen handen konden dragen. Hoeveel zullen het er zijn, misschien wel 300.000. Ze zijn hun eigen verzendcentrum begonnen, omdat de onregelmatig gevormde oesters niet via de reguliere handel te verkopen zijn – ze zijn te groot of te klein. Hun ‘Wilde Wad Oesters’ verkopen ze aan de horeca, op boerenmarkten en in hun restaurant ’t Ailand in Lauwersoog waar ze in het weekend werken.

Vorig jaar was er ineens grote voorjaarssterfte, en deze warme zomer was ook niet goed voor de oesters. „Je ziet die ravage en denkt dat het nooit meer goed komt. En in het najaar loop je weer fluitend over de plaat, blij dat de overgebleven kleintjes zo goed gegroeid zijn.”

Zonder de oesters hadden ze het niet gered. Maar dit jaar zijn ze ook weer begonnen met in elk geval één tij per week op harder of zeebaars te vissen – de jaren ervoor waren ze zo gedesillusioneerd geraakt, dat ze amper nog visten. „Je kunt er niet eindeloos geld in stoppen. Maar zolang we niet gezonken zijn, heeft het zin om te pompen.”

Visrechten

Er komt telkens weer wat nieuws. De grootste onzekerheid zit niet in de visstand maar in de regels. Ze investeren elk jaar in de oesters zonder te weten of ze volgend jaar nog door mogen. Nu zijn er voor het Wad zestien oesterraapvergunningen, volgend jaar nog maar twaalf. Barbara houdt er serieus rekening mee dat ze er geen krijgen. En dan? „Dan weet ik het niet. Procederen en zeggen dat het niet eerlijk is? De criteria zijn duidelijk.”

Een ander voorbeeld. Bij Den Oever hadden ze nog wat visrechten. Maar vanwege de nieuwe spuisluizen bij de Afsluitdijk komen die visvakken te vervallen. Jan: „Ze zijn ons gewoon vergeten.” Het gaat ze niet om de financiële compensatie, het gaat om de bestaanszekerheid. „We hebben zestien vergunningen. Als het één wegvalt, moet je iets anders achter de hand te hebben. Je pakt een boer toch ook niet zomaar z’n landje af, ook al lag het braak.”

Lees ook: Niet alle vis op de menukaart is fris

Barbara en Jan zijn met 49 en 47 jaar de jongelingen onder het handjevol ambachtelijke vissers die er nog zijn op de Waddenzee. „Zag je die jongen aan dek, die net langsvoer? Die kan het bedrijf van zijn schipper overnemen. Maar hij durft niet. Mensen durven niet meer te investeren.” Nu al is het moeilijk om jonge vissers het harderen te leren, omdat er op het Wad nog zo weinig van is. Wie weet er straks nog wat een totebel of een spieringkamer is? Dat gerommel van kleine vissersbootjes met hun netten vlak bij de kust, hun kennis, traditie, de verbinding van voedsel met een plek. Dat ben je dan kwijt.

Over tien jaar?

Barbara praat steeds harder als het over onlogische natuuradviezen door dikbetaalde consultants gaat, over regelgeving zonder ecologische onderbouwing. „Rustig…” zegt Jan, die zich trouwens net zo druk maakt.

Of Barbara denkt dat ze over tien jaar nog visser is, vragen we. Nu valt ze stil.

„Nee”, zegt ze. Ze verbijt zich.

„Ik hoop het wel”, zegt ze dan. Ze wil niet zeggen dat de wereld vergaat als ze niet meer kunnen vissen, dat houden ze elkaar ook voor. „Maar voor mij vergaat-ie wel.”

Als kind was Barbara elk weekend, elke vakantie aan zee in Zandvoort, waar haar ouders een klein strandhuisje hadden. Altijd in het water, als het koud was in haar surfpakje. Nog steeds voelt ze, als ze in haar waadpad in het water of op de drooggevallen platen staat, haar plek in het grote geheel. „Wat is mijn invloed op deze planeet? Hoe verhoud ik me tot de wereld om me heen?”

Soms gaan Jan en Barbara oesters rapen en op harder vissen tegelijk. Ze blijven vlak bij het moederschip en doen het met wat met wat de Waddenzee geeft. „We rapen en vangen met z’n tweeën niet meer dan we met onze eigen handen aan land kunnen brengen. Dat voelt logisch, het past, je voetafdruk is klein. En als we hebben wat we nodig hebben, gaan we weer naar huis.”

    • Martine Kamsma