De sportkerk

Wij keken afgelopen weekend in vrijwel één ruk de negendelige dramaserie The Borgias uit, over Rome aan het eind van de vijftiende eeuw, toen de gewetenloze Rodrigo Borgia en zijn familie het Vaticaan regeerden. Het is de Bijbel meets Californication. Veel dood en verderf, ontucht en verraad, maar ook veel imposante plechtigheden met glitter en spektakel, stokoude prelaten en jonge, blootsvoetse acolieten. Tussendoor keken we soms een stukje Olympische Spelen, en dan zag je min of meer het hetzelfde: groot ceremonieel, jonge atleten gehuldigd door boboveteranen van het IOC. De motoriek is stram, er wordt onverstaanbaar gepreveld en verstrooid geknikt. De kardinalen van de sportkerk.

Sport is de nieuwe religie en de Olympische Spelen zijn de vierjaarlijkse bedevaart. Wij doen allen aan sport – behalve de ongelukkigen die het geloof nog niet hebben gevonden, een slinkende minderheid, gelukkig – maar helaas, het vlees is zwak. Wij hebben leiding nodig, rolmodellen en gidsen. Zogenoemde ‘topsporters’. Eens per vier jaar houden zij een concilie en doen ons voor hoe het moet.

De bijna komische vanzelfsprekendheid waarmee de Borgia’s godsdienst, politiek en business verstrengelden, ook dat zie je eigenlijk alleen nog bij grote sportorganisaties, zoals het IOC. De gelofte van armoede wordt zowat overstemd door het klotsen van de cashflow, maar iedereen doet alsof hij niets hoort.

Want de sportkerk zou geen echte kerk zijn als er niet ook veel schijnheiligheid was. De Volkskrant berichtte afgelopen maandag dat het IOC zou twijfelen over de sponsorrelatie met McDonald’s, Coca Cola en Heineken. Een Britse artsenorganisatie sprak zich ook uit tegen de associatie, „in deze tijden van obesitas”. Limonade, gehakte biefstuk en bier. U begrijpt natuurlijk dat een ‘topsporter’ dat nooit aanraakt. Ook op vrijdag niet! Het meest fascinerende is nog dat de verslaggever, iemand van de sportredactie, vermoed ik, het idee van harte lijkt te steunen. André Bolhuis, voorzitter van het NOC, krijgt een kruisverhoor als was hij een cocaïnebaron. „Maar bier is toch slecht?”, herhaalt de verslaggever maar. Geestig – een journalist!

Daarom is het verbod op doping ook zo’n farce. Zoals Louise Fresco gisteren op deze plek nog haarfijn uiteenzette, worden sportprestaties in hoge mate bepaald door de beschikbaarheid van niveauverhogende voorzieningen. Per werelddeel, per land, per bevolkingsgroep. Het level playing field bestaat helemaal niet, tenzij je het letterlijk neemt. Het helpt als je een ijshockeybaan waterpas maakt, ja, maar met het spelersmateriaal lukt je dat nooit.

Sport is de meritocratie in korte broek; enerzijds draait het in de moderne topsport allemaal om persoonlijke verantwoordelijkheid – je kunt alles bereiken, als je maar werkt – en tegelijk worden die waarden arbitrair terzijde geschoven zodra de verkoopcijfers en het ‘imago’ der sponsoren in het geding komen. Dan hebben sporters ineens geen eigen verantwoordelijkheid meer.

Misschien is dat ook een functie van al die taboes: zonder geboden geen zondaars. Die hele soap rond Lance Armstrong – zonder een verbod op doping waren we die mooi misgelopen.

Een Chinese zwemster brak begin deze week een mannenrecord. Zij verricht het wonder waarvoor honderdduizend pelgrims van over de hele wereld naar Londen zijn gekomen, en het applaus gaat naadloos over in een schervengericht. Een bedriegster!

Het is als vroeger met Mariaverschijningen: bij het minste gerucht stromen de massa’s toe om het mirakel te aanschouwen, en tegelijk wordt de zieneres gestenigd. Aan het kruis met haar!

Het verbod op doping is voor de sportkerk net zoiets als het celibaat voor de geloofkerk: wat de exacte functie ervan was, weet eigenlijk niemand meer, maar afschaffing is ondenkbaar. Waarom? Omdat het geschreven staat. En vlakgom, daar houdt men in de kerk niet van.