De hersens moeten uit

Theatermaker Boukje Schweigman wil dat haar publiek zich weer verbaast over de wereld. „Ik wil zintuigen ontregelen, en harten en buiken raken.” Haar voorstelling Spiegel gaat vrijdag in première.

Marinke Eijgenraam en Toon Kuijpers in de voorstelling ‘Spiegel’ van Boukje Schweigman Foto Jochem Jurgens

Duister. We zitten op de begane grond, maar turen ogenschijnlijk in een diep, donker gat. Er beweegt iets; een flits en het is verdwenen. En nog eens, en weer. Als de beweging langzamer wordt, manifesteert zich kleur en vorm. Het onstoffelijke wordt stoffelijk: een hand. De hand zit aan een arm. Die arm hoort bij een torso. Op het torso prijkt een hoofd. Er zweeft een mens daar in het diepe, en kijk, daar nog één. Hoe is dat mogelijk? In de nieuwe voorstelling Spiegel van Boukje Schweigman val je van de ene in de andere verbazing. Te veel verraden doen we hier niet, maar Schweigman weet ons universum 180 graden te kantelen.

Theatermaker Boukje Schweigman (38) maakt nationaal en international furore met haar woordloze, beeldende, fysieke theater. In Klep (2002) ving ze haar publiek in de donkere, benauwde ruimte van een rondrijdend karretje, waarin luikjes zicht boden op schijnbaar geïsoleerde stukjes lichaam. In Benen (2003) zaten toeschouwers onder een verlaagd plafond, dat steeds verder naar beneden leek te zakken. In Wiek (2009) joeg een horizontaal draaiende reuzenpropeller drie danseressen voort; het publiek moest toezien hoe ontsnappen onmogelijk was. En in Zweep (2011) knalden de zwepen van vier danseressen vervaarlijk dicht langs de eerste rij. „Zo: Tsják!” giechelt Schweigman. „We hebben wel eens een been geraakt, maar nooit écht iemand pijn gedaan.”

Op een Amsterdams terras praat Schweigman – veel, druk, begeesterd – over haar werk. „Toeschouwers moeten bij mij net niet veilig zijn. Ik wil ze verwarren, desoriënteren, ze het gevoel geven dat ze vaste grond verliezen. Ze moeten op een punt komen dat ze het even echt niet meer weten: Waar ben ik? Wat zie ik? Hoe kan dat?”

Waarom wilt u de toeschouwers op dat punt hebben?

„Ik wil ze ontvankelijk maken. Mijn grote missie is om mensen terug te brengen in een staat van kinderlijke verwondering. Kun je weer open en met verbazing naar de wereld kijken? We hanteren allemaal kaders om de wereld te begrijpen. Dat is logisch en die kaders heb je ook nodig, maar als je erin blijft hangen, wordt het een armzalig geheel.

„Ik wil dat mijn publiek die kaders loslaat en ophoudt met interpreteren. De analyserende, rationele mind moet worden uitgezet. Dat doe ik door de zintuigen te verwarren, door te spelen met licht en donker, met verwachting en perspectief. Als ze het niet meer rationeel begrijpen, schakelen mensen over op een fysiek beleven, een ondergaan. Waarna ze hopelijk inzien dat niets vanzelfsprekend is. Er valt in de wereld zoveel wonderlijks te ontdekken, zoveel schoonheid. Het is maar net hoe je kijkt.”

Hoe kijkt u zelf?

„Ik kan uren naar een vijvertje staren. Stilstaand water vind ik magisch. Hoe alles spiegelt; het wolkendek, de boomtoppen, het aardoppervlak, en tegelijkertijd, wanneer je langer kijkt, een compleet andere wereld onder water onthult. Zo’n spiegel bevat de hele wereld in één beeld: lucht, aarde, water, én wat daaronder zit. De fascinatie voor dat beeld stamt al uit mijn jeugd: mijn vader woont in Groningen bij een plantsoen, en als kind bracht ik veel tijd bij de vijvers door. Zo’n beeld kan vervolgens decennia later leiden tot een voorstelling, zoals nu bij Spiegel.”

U maakte eerder ook voorstellingen als Grond, die speelde in een bak aarde, en Dreef, in een drijvende bal op het water. Hoe belangrijk is de natuur als inspiratiebron?

„Het is niet per se de belangrijkste inspiratiebron. Maar ik streef er bij mijn voorstellingen wel naar eenzelfde soort beleving tot stand te brengen. Het gevoel van verbondenheid, van één zijn met de omgeving, dat ik als kind had als ik aan die vijver zat, dat wil ik transporteren naar het theater. Die beleving vind ik belangrijker dan het verhaal.”

Het verhalende doet er niet toe?

„Ik vertel geen verhalen in traditionele zin, met personages, een begin en een eind. Mijn creatieve proces begint met een vaag idee: ik wil iets met ‘een rode ruimte’, of ‘iets met spiegels’. Dat idee kan overal vandaan komen. Hoek maakte ik na het bezichtigen van een expositie over hoeken in Barcelona. Het idee voor Wiek kwam van de lichtbundels van een vuurtoren, het voortjagen van die lichtstralen: woesj, woesj. Een prachtige beweging, maar waar die plotse versnelling optreedt, ook bedreigend. In dat stadium werk ik gevoelsmatig, daar komt nog niet veel ratio, taal of narratief bij kijken.

„Vervolgens werk ik met vormgever Theun Mosk mijn idee technisch verder uit. Wij werken al lang samen, en vullen elkaar perfect aan: Ik ben van het intuïtieve, het emotionele, het Dionysische, en hij is van de strakke vormgeving, het Apollinische. Hij creëert een kader voor mijn intuïtieve idee. Uit de uiteindelijke vorm vloeit dan de betekenis. Ik voel van tevoren wel ongeveer wat die is, maar kan het dan nog moeilijk onder woorden brengen – ik ben geen taalmens; tekst doet mijn werk tekort. Als ik het kort moet formuleren zou ik zeggen dat mijn werk altijd draait om een ruimte of een object, en hoe een lichaam zich daartoe verhoudt. Het menselijk lichaam is voor mij een grote inspiratiebron.”

Welk aspect van het menselijk lichaam fascineert u precies?

„In ieder geval niet zozeer hoe het werkt. Na de middelbare school ben ik geneeskunde gaan studeren; ik was geïnteresseerd in het lichaam, dus dat leek een logische stap – ook omdat ik uit een intellectueel gezin kom: mijn vader is natuurkundige, mijn moeder psycholoog. Maar die machinale benadering van geneeskunde bleek niks voor mij. Is je knie kapot? O, dat fixen we wel even. Nee! Ik wilde weten hoe het lichaam lééft. Waarom voel ik zenuwen, buikpijn? Wat vertelt mijn lichaam mij? Ik ben geïnteresseerd in het emotionele lichaam, en daar valt nog veel in te ontdekken. Mijn grote theatervoorbeeld Enrique Vargas heeft een ‘dramaturgie van de zintuigen’ ontwikkeld, en zo benader ik mijn publiek ook. Ik richt me op hun oriëntatievermogen, hun evenwichtsorgaan. Ik wil zintuigen ontregelen, en harten en buiken raken.”

Een reactie op een intellectuele opvoeding?

„Ja, misschien. Vanuit haar vakgebied benaderde mijn moeder emoties altijd rationeel. Dan dacht ik: ‘Jaha, het is vast allemaal heel pedagogisch verantwoord wat je nu doet, maar kan het niet wat meer van ‘Wrrraaaah!’? Al dat gerationaliseer, daar werd ik op den duur allergisch voor. Ik leef meer primair. Dat heb ik vaak gehad; als ik verdriet heb, moet ik gewoon heel hard huilen.”

U heeft zich voor voorstellingen verdiept in oosterse filosofieën en westerse natuurreligies: de boeddhistische leer, de taoïsten, Shaolinmonniken, het sjamanisme. Wat hebben die denkwijzen u geleerd?

„Om te beginnen kennis van het lichaam. In tegenstelling tot westerse religies hebben de taoïsten het lichaam hoog in het vaandel staan. Bij hen is het fysieke, het intuïtieve een onmisbare bron van kennis over jezelf.

„Persoonlijk heb ik regelmatig de sensatie dat ik iets pas rationeel begrijp, lang nadat ik het intuïtief al aanvoel. Deze vakantie las ik over de opbouw van rituelen. Die bestaan altijd uit een moment van transitie, gevolgd door duisternis om prikkels uit te schakelen, waarna vaak een repeterende beweging wordt begonnen, om in trance te kunnen raken. Dat is precies zoals ik mijn voorstellingen altijd heb opgebouwd. Dus die filosofieën beïnvloeden mijn werk niet zozeer; ze bieden eerder een verklaring voor wat ik intuïtief al doe.

„Je intuïtie loopt voor op je hoofd, dat weet ik zeker. Belangrijke inzichten op dat gebied komen tegenwoordig overigens ook van Nederlandse wetenschappers, hoor. Van neurowetenschapper Victor Lamme bijvoorbeeld: je hersenpan is slechts een verslaggever van je gevoel. Maar bij veel westerse denkers ligt de nadruk nog sterk op de ratio. Zij wantrouwen het lichaam, vinden het eng, grillig, oncontroleerbaar. Ik denk dat de kracht van mijn werk erin schuilt dat ik steeds een koppeling blijf maken met de buik.”

Op de toneelschool in Amsterdam kreeg u juist vaak het verwijt dat u te analytisch was.

„Ik ben zeker ook een ‘hoofdmens’: ik studeerde geneeskunde en geschiedenis, lees Peter Sloterdijk. Dat analytische vermogen helpt me bij het structureren van mijn voorstellingen, en bij het communiceren ervan. Maar ik heb moeten leren de ratio niet te laten domineren, want daar ligt niet mijn kracht als maker. Dat is een heel proces geweest. Pas toen ik na al die omzwervingen op de mimeopleiding kwam, kon ik me ten volle overgeven aan het fysieke, en daarmee aan het intuïtieve.

„Nog steeds voer ik soms wel strijd met mijn hoofd. Als ik te veel wil vertellen met een werk, pakt dat vaak minder goed uit. Bij Zweep bijvoorbeeld werkte ik voor het eerst met een object, een wapen, en was ik vooraf te zeer bezig met wat ik daar allemaal over wilde zeggen. Dat moet ik niet doen, ik moet geen verhaal gaan vertellen, dat kan ik niet. Wat ik wel kan is werelden creëren waarin je iets beleeft.”

Waarom wilt u die werelden het liefst in het theater creëren?

„Theater is een van de weinige kunstvormen die echt kan spelen met de ervaring van ruimte en fysieke aanwezigheid. Mooi aan theater vind ik hoe makers en publiek in één ruimte, op dat ene specifieke moment, bij elkaar zijn. Theater moet je echt samen beleven. Daarom ben ik geen schilder.”

Spiegel gaat 3 augustus in première op Festival Boulevard in Den Bosch. Inl: www.festivalboulevard.nl en www.schweigman.org