De Bovenbazen(65)

Heer Ollie haastte zich naar boven en deed de slaapkamerdeur zorgvuldig achter zich op slot. Enige tijd staarde hij overspannen naar de donzen kussens en de zachte dekens. Het was duidelijk dat hij aan een vreselijke tweestrijd ten prooi was; om zijn rechteroog woedde een zenuwtrek en zijn ademhaling piepte beklemd door het nachtstille vertrek.

‘Nee,’ prevelde hij ten slotte. ‘Voor mij is geen rust weggelegd. Kwetal vertrouwt me – en de bovenbazen loeren op zijn adres. Dan mag een heer niet aarzelen, als iemand begrijpt wat ik bedoel.’

Met deze woorden sjorde hij de dekens van de legerstede, rukte de lakens er af en begon die met bevende vingers aan elkaar te knopen. Daarop bevestigde hij een einde van het linnen aan een spijl van het hemelbed en liet zichzelf met de rest uit het venster zakken.

Een bleke maan bescheen zijn afdaling, die niet zonder gerucht plaatsvond. Maar de nachtwind piepte om de torens en ritselde in de dorre bladeren, zodat hij meende dat niemand zijn aftocht in de gaten had.

‘Dat is dat,’ hijgde heer Ollie, terwijl hij het op een lopen zette. ‘Ik ga Kwetal waarschuwen! Ik zal hem zeggen dat hij moet vluchten; dan kan ik morgen rustig zijn adres geven en van niets weten. Ik ben listig als het moet, daar vergist men zich wel eens in.’

Helaas, het was heer Bommel die zich vergiste. Want nauwelijks was hij over de heuvel verdwenen of enkele donkere gedaanten maakten zich uit de schaduwen los en spoedden zich naar de plek waar de lakens zachtjes in de bries bewogen.

‘Net wat ik dacht,’ mompelde de voorste. ‘Hij is niet te vertrouwen. Kom mee, Doerk, erachteraan!’