Brieven

Fusie is geen toverwoord

In het Cultureel Supplement van 19 juli staat een interessant artikel van Renée Steenbergen over de nieuwste hype: culturele fusie. Een modeterm die enige jaren geleden zijn intrede heeft gedaan en ‘an sich’ goed is uit te leggen. Versnippering wordt tegengegaan, kwaliteit wordt gebundeld en een professionele bedrijfsvoering mogelijk gemaakt. De term is nu onderdeel geworden van het cultuurdebat, in relatie tot de bezuinigingen. En daar wringt de schoen. In dit debat zit een drietal uitgangspunten dat niet klopt.

Om te beginnen wordt de culturele sector gevangen in het woord kunstsector. Cultuur gaat vaak helemaal niet over kunst, maar over bibliotheken, musea, erfgoedbeheer en digitalisering. Om daarbij te spreken over een subsidiegericht model, dat plaats moet maken voor een ondernemingsmodel, gaat mij te kort door de bocht.

Dat raakt aan het tweede foute uitgangspunt: die van de vergelijking met het bedrijfsleven: een bedrijf is een onderneming, onder andere gericht op het maken van winst. Verlieslijdende sectoren worden afgestoten. Laat dat nou net iets zijn waarin de gehele cultuursector moet investeren (vaak in opdracht van diezelfde overheid, die nu bezuinigingen oplegt). Als de cultuursector onrendabele producten mag afstoten, is het hele financieringsprobleem meteen opgelost. Een betere denklijn zou zijn: een culturele instelling wordt nooit een commercieel bedrijf, maar kan wel bedrijfsmatig werken. Dat is iets anders.

Het derde punt is het verwijt aan de culturele sector dat zij subsidiegericht is. Daarbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat onze hele maatschappij jarenlang is toegegroeid naar deze situatie, waarbij de overheid via subsidies en buitenshuis plaatsen van gemeentelijke taken (zoals bibliotheken onderbrengen in stichtingen) de verantwoordelijkheid en de betaling ervan heeft vastgehouden en nu ineens roept dat dit onterecht is. Dat er veranderingen nodig zijn, is juist, maar geef de sector dan ook de kans om er naartoe te groeien. Een overbrugging van drie of vier jaar is daarin veel te kort. Bovendien gaan straks duizenden culturele instellingen en culturele ondernemers langs bij dezelfde bedrijven, fondsen en instellingen om de nieuwe geldstroom aan te boren.

Dat de ‘verwende’ culturele bezoeker straks meer moet gaan betalen voor de vaak kwalitatief hoogstaande producten, is een uitkomst die wel zeker lijkt.