Altijd stroomstoring

Veel Indiërs beseften deze week niet dat ze wereldnieuws waren: het land bleef ook zonder stroom functioneren. Improvisatietalent en generatoren brengen vaak redding, maar politieke doortastendheid ontbreekt.

Joeri Boom

Correspondent India

Badend in het zweet word ik middenin de nacht wakker. Airconditioner doet niets. Plafondventilator staat stil. Stroomstoring. Die hebben we in New Delhi wel vaker. Automatisch springt dan de batterij aan. Dat gebeurt ook nu. De stroom vretende airco blijft uit want die zou de batterij in een mum van tijd leegtrekken. Maar de ventilator begint weer te draaien. Hij geeft net genoeg verkoeling om te kunnen inslapen bij een temperatuur van 33 graden celsius en een luchtvochtigheid van 97 procent. De volgende ochtend is de elektriciteit terug, de batterij heeft zich weer opgeladen, klaar om ons door de volgende power outage te lozen.

Ik had niet gedacht dat de voorgaande alinea ooit de krant zou halen. Stroomstoringen zijn in India aan de orde van de dag. Het wordt pas ‘nieuws’ als stroomuitval tegelijkertijd een enorm aantal mensen treft. Dat is in India, dat met 1,22 miljard mensen hard op weg is om China (1,34 miljard) in te halen als bevolkingsrijkste land ter wereld, geen onmogelijkheid.

De storing van dinsdag diende zich net zo aan als al die andere power crashes. Er was een telefoontje uit Nederland voor nodig om te beseffen dat dit nieuws was. Bij ruim 600 miljoen Indiërs – bijna de helft van de bevolking – bleek de stroom te zijn uitgevallen toen de noordelijke, oostelijke en noordoostelijke hoogspanningsnetten het begaven. Daarmee waren meer mensen getroffen dan de Europese Unie inwoners heeft (502 miljoen). Anders gesteld: bij bijna een negende van de wereldbevolking ging het licht uit. Ik bevond me midden in de grootste stroomstoring in de geschiedenis.

Een dag eerder waren we ook al getroffen door een legendarische elektriciteitsuitval en ook toen was dat niet meteen duidelijk. Het betrof toen alleen het noordelijke net waardoor New Delhi en zeven deelstaten met zo’n 370 miljoen inwoners geen elektriciteit kregen. Ook dat was een record.

Tijdens de storing van dinsdag ging ik de stad in om te zien wat er gebeurde. Een duidelijk probleem was het uitvallen van de watervoorziening. Het ‘overheidswater’ wordt door de leidingen gestuwd met elektrische pompen. Nu moesten mensen zich redden met water uit tankwagens van het stedelijke waterleidingbedrijf. Bij kleinschalige stroomstoringen halen mensen vaak water in een wijk die niet getroffen is. Wie geld heeft, laat een particuliere tankwagen komen.

Ook de verkeerslichten vielen uit, wat bij kortdurende lokale storingen niet gebeurt. Het leidde tot ongekende verkeersopstoppingen. Maar tot verwondering van veel inwoners, gewend aan inactiviteit van de overheid, doken op cruciale plekken agenten van de verkeerspolitie op. Gekleed in witte regenuniformen die leken op skipakken probeerden ze op kruispunten met fluitjes en handgebaren het verkeer te leiden. Dat ging op de plekken die ik bezocht best goed. Eén agentje te midden van duizenden auto’s, brommers en motorfietsen die al die eigenwijze Indiërs dirigeert. Hoe kan dat? Het moet iets te maken hebben met de praktische aanleg van Indiërs. Het intimiderend massale verkeer van Delhi stopt normaal gesproken ook voor verkeerslichten. Niet uit angst voor boetes – die worden omzeild door de agent een luttel smeergeldbedrag in de hand te stoppen, in koopkracht vergelijkbaar met vijf euro in Nederland – maar omdat duidelijk is dat er tijdrovende opstoppingen ontstaan als je verkeerslichten en agenten negeert. En dat is niet handig.

Net als maandag viel dinsdag de metro uit. Het paradepaardje van Delhi met luchtgekoelde stations en aparte vrouwenwagons vervoert dagelijks ruim twee miljoen reizigers (tweeënhalf keer de bevolking van Amsterdam). Rond half vijf ’s middags, net voor de spits, werd een deel van de dienstregeling hervat. De stroom vretende airconditioning op de perrons was uitgeschakeld. Metroforens en accountant Rifat Goksal moest van collega’s op kantoor horen dat er opnieuw een grote stroomuitval was. „Anders zou ik het niet gemerkt hebben. We hebben een dieselgenerator als backup. De airconditioning deed het, het licht, internet, de telefoons.”

Mijn kleermaker heeft niets van de stroomstoring gemerkt. Zijn winkeltje bestaat uit een tafel met een mechanisch aangedreven trap-naaimachine, opgesteld onder een boom. ’s Avonds bergt hij zijn spullen op in een schuurtje vlakbij dat als opslagruimte wordt verhuurd. Daar komt geen milliwatt aan te pas. Jugaad noemen Indiërs dergelijke improvisatie met schaarse middelen. Voor veel mensen is jugaad een levenswijze. In de dorpen op het platteland verspreid over India zijn 400 miljoen mensen, een derde van de bevolking, nog altijd niet op het lichtnet aangesloten. Wel lopen in enkele deelstaten programma’s om plattelandsgezinnen te voorzien van zonne-energie.

Wat vooral opviel in New Delhi en daarbuiten was dat het leven zijn normale gang behield. De stroomstoringen teisteren het land al jaren. Inmiddels is er een alternatief elektriciteitsnet ontstaan van dieselgeneratoren en andere power backups. Overal in India hebben luchthavens, ziekenhuizen, politiebureaus en fabrieken net als het postkantoortje bij mij op de hoek dieselgeneratoren. Ook particulieren die het zich kunnen veroorloven, hebben thuis een kleine generator of zo’n speciale batterij als wij. De 265 mijnwerkers die in schachten kwamen vast te zitten, zijn gered. In sommige ziekenhuizen werden de liften uitgezet om de generators niet te overbelasten, maar de operaties gingen door.

Het land kwam niet tot stilstand. Veel Indiërs hebben zelfs niet beseft hoe legendarisch deze twee stroomstoringen waren. Waarom waren ze dan toch wereldnieuws?

Waarschijnlijk omdat men buiten India niet wil weten hoe gammel de stroomvoorziening hier is. In Nederland heerst een tweeslachtig beeld van India. Aan de ene kant is India het land van extreme armoede, van analfabetisme, schrijnende kastentegenstelingen en sociale ongelijkheid, van kinderarbeid en hongerende peuters. Tegelijkertijd spat India van de economiepagina’s als een land van de toekomst. Een land waar de economische groei onder druk staat, maar nog altijd ruim zes procent bedraagt. Een land waar de middenklasse snel groeit waardoor er jaarlijks miljoenen mensen bijkomen die iets extra’s te besteden hebben. Jaarlijks komen er in India anderhalf miljoen nieuwe auto’s op de weg – hét teken van een groeiende middenklasse. Volgens een Indiaas onderzoeksinstituut (de National Council for Applied Economic Research) neemt de middenklasse van 160 miljoen in vijf jaar tijd toe tot 547 miljoen spenderende individuen. Een ongekende kans voor Nederlandse bedrijven die de Europese en Amerikaanse markt door de crisis zien verschrompelen.

Dat land moet slagen. Dat land moet zijn grenzen nog wijder open gooien voor buitenlandse investeerders. En in dit land van de toekomst faalt dan toch een van de meest fundamentele infrastructurele diensten aan de bevolking. Weg stroomnet. Deze stroomstoring is geen wereldnieuws geworden door de droge feiten, maar door de teleurstelling van het Westen.

Het probleem is, helaas, dat India ook dat andere land is. Het land van armoede en ellende. Volgens de Wereldbank leeft iets meer dan de helft van de bevolking van minder dan (het equivalent van) twee dollar per dag. Bijna een derde van de bevolking moet het met nog minder stellen en leeft onder de armoedegrens van 1,25 dollar per dag. Hier sterven inderdaad nog kinderen van de honger. India heeft ongeveer 230 miljoen ondervoede inwoners, het hoogste aantal ter wereld. Het land staat nummer 67 in de Global Hunger Index 2011 van het International Food Policy Research Institute. De index kent 81 plekken, hoe lager in de lijst, hoe ellendiger de situatie. Ter vergelijking: China staat op de vierde plaats.

Het instorten van het hoogspanningsnetwerk doet al die rottige armoedecijfers weer bovendrijven. Maar zwartgalligheid is niet nodig. Hoewel de economische groei niet gelijk verdeeld is (hoge kasten en beter gesitueerden profiteren het meest) zorgen overheidsprogramma’s en eigen jugaad-achtige initiatieven er toch voor dat jaarlijks miljoenen Indiërs de extreme armoede kunnen ontstijgen. De groeiende middenklasse is al jaren de motor van India’s economische groei en het ziet er niet naar uit dat die motor gaat stilvallen.

Het is goed dat de wereld de stroomstoringen op de voorpagina zette. Ze tonen de drastische problemen in India’s ontwikkeling. Een van die problemen is de infrastructuur – veilige wegen en spoorwegen, moderne mijnen, een duurzame opslag van graan: op al deze fronten en nog veel meer schiet India tekort. De stroomcrisis is illustratief. Er zijn inmiddels genoeg grote centrales neergezet met behulp van buitenlandse bedrijven om aan de elektriciteitsvraag te voldoen. Probleem is echter de haperende kolenvoorziening door het staatsgeleide Coal India Ltd. India heeft genoeg steenkool, maar krijgt het niet de grond uit.

Er is politieke doortastendheid voor nodig om dat probleem op te lossen. Maar de links-liberale coalitieregering die wordt geleid door premier Manmohan Singh, de onverstoorbare sikh die in 1991 met een vermetel hervormingsbeleid India’s economische groei ontketende, lijkt verlamd. Zijn ministers durven geen doortastende besluiten te nemen, bang om met impopulaire economische maatregelen de steun van de (merendeels onvermogende) kiezers te verliezen. Van de immer zwijgzame Singh zelf valt weinig te verwachten. Hij is al 79.

In de coulissen staan genoeg jonge Indiërs te trappelen om deel te nemen aan het bestuur van hun land. Ze zijn uitstekend opgeleid, spreken Engels en Hindi, hebben een liberaal-economisch wereldbeeld en tegelijk een open oog voor de sociale noden van India met zijn enorme armoede en zijn vloek van sociale ongelijkheid. Facebook en Twitter gonzen ervan. Ze noemen zich ‘internet hindu’s’ of ‘Indian Youth Congress’ of zelfs ‘Anonymous’ dat inmiddels stevig geworteld is in de uitdijende scene van Indiase internetactivisten.

Over twee jaar zijn er verkiezingen, maar Chandra (24), economiestudent, weet al wat hij gaat stemmen. Hij stemde altijd op de Congres-partij, de PvdA-achtige partij van Manmohan Singh, die al decennia een toonaangevende rol speelt in de Indiase politiek. Nu wordt dat de grote concurrent BJP, de hindoenationalistische partij die al eens een belangrijke premier leverde. „Ik ben niet geïnteresseerd in nationalisme, wel in mijn land. Een nieuwe partij aan de macht zorgt voor dynamiek. Dan komen hier eindelijk echte supermarkten en mogen buitenlandse bedrijven investeren in de kolendelving. Dan pakken ze eindelijk de corruptie aan die onze politiek verlamt.”

Of de BJP, die zelf in een grote corruptiezaak over de toewijzing van appartementen in Mumbai is verwikkeld, werkelijk voor een schitterende toekomst kan zorgen is de vraag. Maar het Indiase vermogen om te improviseren en de ontembare energie van jonge Indiërs als Chandra, gekoppeld aan de voortgaande economische ontwikkeling, beloven iets goeds. Het zal in sommige opzichten langzamer gaan dan het Westen wil en in andere juist sneller dan we durven vermoeden: in april haalde de Indiase economie de Japanse in (gemeten naar koopkracht) en werd volgens het IMF de derde economie ter wereld. Bijna geen krant meldde het.

Zou het eigenlijk nieuwswaardig zijn dat de recordstoring van dinsdag binnen zes uur was verholpen en dat essentiële diensten en bedrijven al na een paar uur weer overheidsstroom hadden?

Het dagblad The Asian Age schrijft dat ook de stroomvoorziening in de residentie van premier Manmohan Singh uitviel. De premier met zijn eeuwige smetteloze blauwe tulband, duizelig van de hitte boven zijn stapel af te tekenen paperassen. Gouden vulpen in de trillende hand. Een mooi beeld voor westerse cynici. Maar of het de werkelijkheid is? De leider van ’s werelds derde economie en grootste democratie heeft vast en zeker gewoon een generator.