We kijken niet alleen sport; we zíjn sport

T wee komma drie miljoen! tettert Jan de Jong over straat. „Twee komma drie miljoen Nederlanders kijken op een maandagavond midden in de zomer naar een programma waarin nagepraat wordt over sport! Ha! Wat zeg je daarvan?”

Het regent, maar de grote NOS-baas lijkt het niet te merken. Hij slingert over de weg, staat op de trappers bij iedere brug en bonkt stoepjes op en af. Zijn mond ratelt als een machinegeweer. Ratatatatatatatatatatatata – bij elke zin moet je dekking zoeken.

„Sport is in de eerste plaats amusement”, zegt hij, „maar het is onderhand veel meer dan dat. Sport heeft een enorme impact. Economisch, maar vooral maatschappelijk. De kijkcijfers vliegen de pan uit. En moet je hier in Londen eens om je heen kijken: overal oranje! Het schijnt dat Nederland op twee landen na de meeste supporters op de Spelen heeft. Sport bindt ons. Het is onze vorm van patriottisme. Dat begon met de voetbalsuccessen in de jaren zeventig, het werd verder opgeblazen door het EK van 1988 en de laatste jaren is het geëscaleerd. EK voetbal, Tour of Spelen: Nederlanders vreten sport.”

Ik kan hem geen ongelijk geven. De meeste Nederlanders voelen zich vooral Nederlander als er iets in het oranje over het tv-scherm loopt, fietst of zwemt. En het Wilhelmus zingen we alleen mee bij voetbal. We kijken niet alleen sport; misschien zíjn we wel sport.

We onderschatten nog steeds wat we met sport kunnen doen, vindt De Jong. „Als Nederlanders op handelsmissie gaan, kiezen we vrijwel altijd iets cultureels om te laten zien wie we zijn – een symfonieorkest of zo. Daar kun je ook sporters voor gebruiken. Ga je naar Australië, dan neem je Pieter van den Hoogenband mee.”

Sport is meer dan sport. Daarom vindt De Jong dat wij ook moeten proberen die Spelen te organiseren. Of het WK voetbal. „Dat geeft je land dynamiek. Kijk naar wat er gebeurd is met Sydney, Zuid-Afrika, of Duitsland na het WK van 2006. Het stimuleert de economie, het maakt mensen trots. Soms moet je grote beslissingen durven nemen om verder te komen.” In de verte zien we het Olympisch Stadion. „Mooi, hè”, zegt De Jong.

Ik vraag hem of hij zich weleens zorgen maakt over de concurrentie van de commerciële omroepen. De Jong schudt zijn hoofd. „Helemaal niet. Er is geen wedstrijd tussen ons, dat maakt de pers ervan. Wij doen iets anders dan zij. Zij maken soms tamelijk geniale tv, maar het is niet te vergelijken. Wij zenden sport uit, zij praten er alleen over. Ze hebben geld zat, maar ze willen de uitzendrechten en -kosten niet betalen, omdat ze die niet terugverdienen. Wij doen het wel. Omdat we een maatschappelijke taak hebben, niet om geld te verdienen.”

Geld is secundair voor De Jong. Maar in Den Haag denken ze er anders over. De geldkraan wordt dichtgedraaid; de publieke omroep moet bezuinigen. De Jong is het er niet mee eens. „Het kabinet wil inzetten op sport, maar snijdt in ons budget. Dat staat haaks op elkaar. Je moet juist inzetten op sport.” Waar moet het geld dán vandaan komen – het is toch crisis? De Jong knikt. „Wij kunnen onze ogen niet sluiten voor economische ontwikkelingen. Maar ik zie liever dat de publieke omroep bezuinigt op puur entertainment.”

Dus geen Jantje Smit meer op het publieke net? De Jong is even stil en knikt dan. Geen Jantje Smit meer op publieke net.

Sorry Jantje. Het is niet anders.

NRC-sportredacteur Zonneveld fietst dagelijks met (oud-)sporters en prominenten door Londen.