Waarom Klezmer Band wel en Nieuw Ensemble niet?

Bij de subsidiëring heeft het Fonds voor Podiumkunsten pluriformiteit en regionale spreiding zwaar laten wegen. In de muziekwereld hebben daarom nieuwe vormen van muziektheater voorrang. Het fonds koos er ook bewust voor middelgrote ensembles te steunen.Bij de festivals zijn er verrassende winnaars en verliezers.

In de theaterwereld vallen door de aangelegde criteria de zware klappen bij gerenommeerde instellingen. Door de nadruk op pluriformiteit hebben locatie- en objecttheatergroepjes het vaak wel gered.

Voor de Nederlandse muziekensembles is vandaag een cruciale dag. 51 instellingen dienden een aanvraag in, 37 kregen een positief advies. Daarvan konden maar 17 worden gehonoreerd: de helft van het aantal dat nu structureel door het Fonds voor Podiumkunsten wordt ondersteund. Ziedaar de moeizame taak van het fonds: niet de kwaliteit vanaanvragers was aanleiding voor hervorming van de subsidiesystematiek, maar het met zo’n veertig procent gekrompen budget.

Het fonds plaatste de positief beoordeelde aanvragers in een rangorde op basis van kwaliteit, ondernemerschap, bijdrage aan pluriformiteit, geografische spreiding en co-financiering door lokale overheden. Opvallend is dat veel middelgrote ‘klassieke’ muziekensembles aan de goede kant van de streep terecht zijn gekomen, waar De Kift, Brokken, de Amsterdam Klezmer Band en improvisatiecollectief dOeK de enige ‘winnaars’ zijn in de populaire hoek. Opera viel helemaal af. Het Fonds gaf nieuwe vormen van muziektheater voorrang, omdat de Reisopera, Opera Zuid en De Nederlandse Opera al door het Rijk worden ondersteund.

Het streven naar behoud van pluriformiteit en regiospreiding zorgde ook onder de muziekfestivals voor verrassende ‘winnaars’ en ‘verliezers’. Musica Sacra (Maastricht), Noorderslag (Groningen), Tromp Percussion (Eindhoven) en November Music (Den Bosch) zagen hun aanvraag gehonoreerd, maar specialistische initiatieven als de Cellobiënnale, het Int. Vocalisten Concours, het Orgelfestival en de Koorbiënnale in Haarlem en de Gaudeamus Muziekweek vallen buiten de boot. Overigens is de fondssubsidie voor de meeste van deze festivals niet bepalend voor het voortbestaan; lokale overheden en cultuurfondsen blijven vaak nog wel ondersteunen, waardoor de beslissing van het fonds vooralsnog vooral leidt tot verschraling, niet tot opheffing.

Onder de toonaangevende klassieke muziekensembles is het Nieuw Ensemble (huidige subsidie per jaar: 887 duizend euro) de opvallendste verliezer. Hun afwijzing door het Fonds wordt nauwelijks door de stad Amsterdam opgevangen en betekent waarschijnlijk opheffing (of decimering) van een goed functionerend ensemble. Een ensemble ook dat zich toelegt op ‘moeilijk’ repertoire en dus nooit op basis van privaat geld kan doorgaan. Ook Orkest de Ereprijs, eerder al opgegeven door de gemeente Amersfoort, wordt niet langer ondersteund. Het Ives Ensemble moet voort met vijftigduizend euro van de gemeente. Amsterdam Sinfonietta, Cappella Amsterdam, ASKO|Schönberg, Calefax, Holland Baroque Society, het Ned. Blazersensemble, de Ned. Bachvereniging, het Orkest vd 18de eeuw en Slagwerkgroep Den Haag krijgen wel geld van het fonds, al is het soms (bij de Blazers twee ton) minder dan aangevraagd.

Het fonds koos er bewust voor de middelgrote ensembles te ondersteunen. De vraag is: is dit de beste manier om 5,8 miljoen euro (was: 10,8 miljoen) onder de muziekensembles te verdelen? Voor de context: voor de orkestsector heeft het Rijk 47,5 miljoen (was 66 miljoen) te besteden. Hoewel een heldere manier van scherp kiezen nodig is, gaat het streven naar behoud van veelvormigheid binnen de sector ten koste van kwaliteit. Pregnant voorbeeld is het ‘orkest van de 21ste eeuw’, ASKO|Schönberg, dat van 1.4 miljoen euro per jaar (nu) terugvalt naar 643 duizend euro, aangevuld door twee ton van de gemeente Amsterdam. Daarvoor zullen wel 90 concerten per jaar worden gerealiseerd: een getal dat alleen haalbaar is door concerten vaker te herhalen.

De geroemde Nederlandse ensemblecultuur, grotendeels in Amsterdam, krijgt een klap. Er zal meer worden samengewerkt en veel banen verdwijnen. Maar er zijn ook positieve impulsen. Als Amsterdam de adviezen van de Kunstraad opvolgt, overleeft de sector grotendeels. Initiatieven tot samenwerking die door verschillende spelers zijn genomen onderstrepen de overlevingswil.