Waarom De Appel niet en poppentheater wel?

Bij de subsidies heeft het Fonds voor Podiumkunsten pluriformiteit en regionale spreiding zwaar laten wegen. Hierdoor vallen bij bekende instellingen zware klappen.

Een aangekondigde kaalslag, dat is de bekendmaking van de subsidiebesluiten van het Fonds Podiumkunsten. Verwacht, maar niettemin desastreus. Voor theatergezelschappen die bij het Fonds subsidie aanvroegen was 40 procent minder geld beschikbaar dan nu, en maar de helft van het totaal aangevraagde bedrag: net geen tien miljoen, in plaats van twintig.

Van de 69 aanvragers werden er, ondanks de verscherpte systematiek die de score van een instelling meet op bijvoorbeeld pluriformiteit en geografische spreiding, 49 positief beoordeeld. Maar 19 daarvan krijgen toch geen geld, omdat het er simpelweg niet is. Dat betekent dat gerenommeerde instellingen als toneelgroep De Appel, Het Toneel Speelt, ’t Barre Land en het Onafhankelijk Toneel door het fonds weliswaar (deels) worden geprezen, maar hun aanvraag toch niet gehonoreerd zien.

Mugmetdegoudentand, Dood Paard, de Warme Winkel en Wunderbaum krijgen wel geld van het Fonds, net als Laura van Dolron, Jakop Ahlbom, Boukje Schweigman en Dries Verhoeven. Ook Oerol wordt gespaard. Orkater krijgt nog 9 ton, in plaats van 1,6 miljoen euro nu.

Het Fonds heeft zichzelf als taak gesteld het rijksbeleid, waarin slechts negen grote landelijke repertoiregezelschappen en acht grote jeugdgezelschappen steun krijgen, grotendeels te compenseren. Het Nederlandse theaterlandschap onderscheidt zich door het grote aantal kleine groepen die experimenteel werk maken, als bewegings-, locatie- of objecttheater. Om dit unieke segment overeind te houden, heeft het Fonds pluriformiteit bij de honorering zwaar laten wegen. Dat gaat onder de huidige omstandigheden ten koste van het grootschaliger teksttoneel, ook als dat eerbiedwaardige instellingen met een lange geschiedenis, een uitstekende artistieke reputatie en een groot, trouw publiek betreft. Dat doet pijn.

Een gezelschap als De Appel zal zeker overeind worden gehouden door de gemeente Den Haag. Maar voor het O.T. valt hoogstwaarschijnlijk het doek. En wat moet er worden van Het Toneel Speelt, dat 9 ton aanvroeg en geen andere financiers heeft? Ook voor ’t Barre Land, dat eerder een negatief advies in Utrecht kreeg, ziet de toekomst er somber uit. Maatschappij Discordia kreeg van het fonds zelfs een negatief advies.

Beiden scoorden slecht op ondernemerschap. Ze spelen voor een „beperkt publiek van ingewijden”, en hun communicatie is ontoegankelijk. Zelfs voor geïnteresseerden is het op de site van Discordia moeilijk om informatie te vinden, schrijft het Fonds. Die kritiek is terecht: in deze tijd mag worden verwacht dat instellingen ondernemender en meer publieksgericht zijn. Maar het schetst wel de tijdgeest dat zo’n omissie je nu direct fataal wordt.

Niet alles laat zich bovendien even eenvoudig vatten in een simpel puntensysteem. Door de nadruk op pluriformiteit hebben veel locatie- of objecttheatergroepjes het gered, en de vraag is of zoveel nodig was. Het is inhoudelijk moeilijk te verdedigen dat bijvoorbeeld poppentheatergezelschap Gnaffel uit Zwolle wél geld krijgt, maar een veelgeprezen jonge repertoireregisseur als Thibaud Delpeut in Utrecht niet. Beiden scoren een ruime voldoende op artistieke kwaliteit, maar Gnaffel wint het op pluriformiteit en geografische spreiding. Van alle gehonoreerden maakt meer dan de helft nu jeugd-, bewegings-, locatie- of objecttheater. Ook spaart het Fonds zeven productiehuizen. Zo helt de sector straks over naar de kleinschalige kant.

Ook bij de dans handhaaft het Fonds de pluriformiteit in het middensegment, waar het Rijk de vier grote, academische gezelschappen overeind houdt. Die steun aan kleine groepjes gaat ten koste van het Internationaal Danstheater, dat zijn ‘dure’ aanvraag van bijna acht ton niet gehonoreerd zag. Het op last van het Fonds rigoureus gereorganiseerde gezelschap lijkt nu definitief ten grave gedragen te kunnen worden.

M.m.v. Francine van der Wiel